Daarop had de Bank Consument uitdrukkelijk moeten wijzen en hem daarvoor moeten waarschuwen, stelt Kifid.
Ten tijde van het verstrekken van de hypothecaire lening bestond nog geen specifieke wettelijke regeling ter voorkoming van overkreditering van consumenten bij hypothecair krediet. Niettemin bracht ook in die periode de zorgplicht van de Bank mee dat zij voorafgaand aan de kredietverlening inlichtingen diende in te winnen over de inkomens- en vermogenspositie van Consument om te beoordelen of overkreditering plaatsvond. Indien het verlangde krediet mogelijk niet verantwoord was, moest de Bank Consument daarop wijzen en hem waarschuwen voor het daaraan verbonden risico.
Voor het bepalen van de rentelasten moest de Bank volgens haar Acceptatienormen bij een rentevaste periode van vijf jaar of langer de geoffreerde hypotheekrente hanteren, met een minimum van 6%. Er is echter uitgegaan van de daadwerkelijk aangeboden rente van 3,7%. Dat is dus niet in overeenstemming met de eigen regels van de Bank. Met toepassing van de daadwerkelijk aangeboden rente van 3,7% bleven de rentelasten net onder het maximum van de woonquote.
Met inachtneming van de voorgeschreven toetsrente van 6% zouden de rentelasten ruim boven de woonquote zijn gekomen. Aangenomen moet worden dat deze toetsrente van 6% (mede) gehanteerd werd om te beoordelen in hoeverre een kredietaanvraag acceptabel was met oog op de lasten die daarvan (in de toekomst) het gevolg zouden kunnen zijn.
De Bank heeft geen bevredigende verklaring gegeven waarom zij niet de door haar eigen normen voorgeschreven toetsrente heeft gehanteerd. Het feit dat in de van de adviseur van Consument uitgaande offerteaanvragen werd uitgegaan van de daadwerkelijk aan te bieden rente, vormt hiervoor niet een voldoende rechtvaardiging. Die aanvragen dienden zoals hiervoor overwogen, zelfstandig door de Bank op het risico van overkreditering te worden getoetst. Er was alle aanleiding om de voorgeschreven toetsrente aan te houden. Het ging om een krediet voor een lange termijn. De Bank had geen reden om aan te nemen dat het inkomen van Consument in de daarop volgende jaren aanmerkelijk hoger zou worden. Het krediet was hoog, in vergelijking tot dat inkomen, namelijk 8,6 maal het (bruto)inkomen. De rente werd betrekkelijk korte tijd vastgezet, voor een periode van zes jaar. De destijds als regel gehanteerde rente was verder historisch bezien relatief laag. Dat hield een reëel risico in dat na afloop van de rentevaste periode een hogere rente zou gelden. Een hogere rente zou een forse stijging van de rentelasten kunnen meebrengen, omdat het krediet relatief hoog was en er niet werd afgelost. Het krediet was immers aflossingsvrij. Een hogere rente van één procentpunt zou al een verhoging van de rentelasten met € 3.400,00 bruto per jaar betekenen.
Bron: Kifid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99