Op basis van de schuldmarktwaardeverhouding (hierna ook wel: ‘smv’) wordt de lening door de Bank ingedeeld in een bepaalde risicoklasse. Naarmate de schuld afneemt en/of de markt-waarde van het onderpand stijgt, kan de lening in een lagere risicoklasse terechtkomen. Dit resulteert dan in een korting op de hypotheekrente. Hierbij geldt: hoe lager de risicoklasse geënt op de schuldmarktwaardeverhouding, hoe hoger de korting.
De Bank weigert het opgebouwde kapitaal (SEW) mee te nemen bij de berekening van de schuld-marktwaardeverhouding. In theorie loopt de Bank bij een bankspaarhypotheek minder risico dan bij een aflossingsvrije hypotheek. In de praktijk kleven er toch wel degelijk risico’s aan deze constructie, aldus de Bank. Klanten van de Bank kunnen daarom alleen in een lagere risicoklasse terechtkomen als zij a) daadwerkelijk aflossen en/of b) als de waarde van het onderpand aantoonbaar is gestegen.
De Commissie gaat in op de vraag of de Bank kan worden verplicht het spaartegoed van de bankspaarrekening te betrekken bij de berekening van de schuldmarkt-waardeverhouding.
De Commissie gaat van het volgende uit.
Volgens artikel 6:248 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’) heeft een overeenkomst de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen en daarmee bindende kracht tussen partijen. Kortgezegd betekent dit dat gemaakte afspraken moeten worden nagekomen.
Partijen zijn niet overeengekomen dat de Bank bij de berekening van de schuldmarkt-waardeverhouding rekening dient te houden met opgebouwd kapitaal en/of spaartegoed.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de weigering van de Bank om het door Consument opgebouwde spaartegoed te betrekken bij de berekening van de schuldmarktwaarde-verhouding in lijn is met de door partijen gemaakte afspraken.
De conclusie is dat de Bank niet gehouden is om het tegoed dat Consument op zijn bankspaarrekening heeft opgebouwd te betrekken bij de berekening van de schuldmarkt-waardeverhouding.
Bron: Kfiid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99