Door een huwelijk in algehele gemeenschap van goederen valt het voorhuwelijkse vermogen van de echtgenoten in de gemeenschap (civielrechtelijke boedelmenging). Het renteaftrekverleden is geen civielrechtelijk begrip maar een fiscaal begrip. Als de fiscale wetgever wil dat een boedelmenging krachtens huwelijk ook fiscale gevolgen heeft voor het renteaftrekverleden, dan moet dat expliciet geregeld worden in de wet. Voor de annuïtaire eigenwoningschuld die bestaat op het moment van het huwelijk is dat wettelijk geregeld (in artikel 3.119c, negende lid, Wet IB 2001). Het lopende aflossingsschema gaat door een huwelijk in algehele gemeenschap van goederen over op de huwelijkse partner voor het deel van de schuld (de helft) dat door boedelmenging overgaat op die partner. Ook het recht op overgangsrecht voor bestaande eigenwoningschulden en de lopende dertigjaarstermijn gaan in die situatie over op de huwelijkse partner voor het deel van de schuld dat door boedelmenging overgaat op die partner (artikel 10bis.1, zevende lid, eerste volzin, Wet IB 2001).
Dit betekent dat alleen het aflossingsschema van een lopende eigenwoningschuld, het recht op overgangsrecht van een aanwezige bestaande eigenwoningschuld en de daarbij behorende dertigjaarstermijn overgaan op de huwelijkse partner bij een huwelijk in algehele gemeenschap van goederen. De wetgever heeft daarnaast uitdrukkelijk bepaald dat de mogelijkheid tot herleven van het recht op overgangsrecht binnen de oversluittermijn ook overgaat op de huwelijkse partner als sprake is van boedelmenging krachtens huwelijk (artikel 10bis.1, zevende lid, tweede volzin, Wet IB 2001).
In andere situaties gaat het renteaftrekverleden op grond van de wettelijke regeling niet voor de helft over naar de andere echtgenoot bij een huwelijk in algehele gemeenschap van goederen.
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99