Invoering van de Wet herziening fiscale behandeling eigen woning per 1 januari 2013 (hierna ook wel aangeduid als “de fiscale wetswijziging”) heeft ertoe geleid dat het KEW regime voor na 31 december 2012 afgesloten kapitaalverzekeringen is komen vervallen. Omzetting van op 31 december 2012 bestaande kapitaalverzekeringen in een KEW bleef tot 1 april 2013 mogelijk. Tot 1 april 2013 kon de kapitaalverzekering worden aangemerkt als KEW. Daarna is het wettelijk niet meer toegestaan.
De eerste deelvraag is of er een informatieplicht is ten aanzien van de fiscale wetswijziging. Bij de beantwoording van deze vraag is van belang hetgeen is opgenomen in artikel 4:20 lid 1 en lid 3 Wft. Het eerste lid bepaalt dat de financiële dienstverlener voorafgaand aan de overeenkomst informatie moet verstrekken, die redelijkerwijs relevant is voor een adequate beoordeling van het product. Het derde lid bepaalt dat Consument op de hoogte moet worden gebracht van wezenlijke wijzigingen in de informatie bedoeld in het eerste lid. In eerdere uitspraken heeft de Commissie al overwogen dat de invoering van de Wet herziening fiscale behandeling eigen woning een “wezenlijke wijziging” vormt in de zin van artikel 4:20 lid 3 Wft. Dit betekent dat de fiscale wetswijziging dus iets is waarover Consument geïnformeerd had moeten worden.
De vraag is echter – en dat is de tweede deelvraag – of het wel de rechtsvoorganger van de Bank is die Consument over deze wetswijzing had moeten informeren. Bij de beantwoording van deze vraag is van belang hetgeen is opgenomen in artikel 4:21 Wft. Dit artikel luidt als volgt:
“Indien een financiëledienstverlener een financiële dienst verleent door tussenkomst van een bemiddelaar, gevolmachtigde agent of een ondergevolmachtigde agent wordt de informatie, bedoeld in artikel 4:20, eerste en derde lid, verstrekt door deze bemiddelaar, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent, tenzij de desbetreffende financiële onderneming en de bemiddelaar, gevolmachtigde agent onderscheidenlijk ondergevolmachtigde agent zijn overeengekomen dat de financiële onderneming zelf aan artikel 4:20, eerste en derde lid, voldoet.”
In essentie bestaat artikel 4:21 Wft uit een hoofdregel en een ‘tenzij-bepaling’. De hoofdregel komt erop neer dat indien de Bank een financiële dienst verleent door tussenkomst van een bemiddelaar, de informatie bedoeld in artikel 4:20, eerste en derde lid, verstrekt wordt door deze bemiddelaar. De ‘tenzij-bepaling’ maakt het mogelijk dat de Bank en de bemiddelaar kunnen afspreken dat de Bank de informatieplicht op zich neemt.
Kortom: nu er een bemiddelaar was, was deze op grond van de hoofdregel van artikel 4:21 Wft gehouden om Consument te informeren over de fiscale wetswijziging. Aangezien verder niet gebleken is dat de bemiddelaar en de rechtsvoorganger van de Bank zijn overeengekomen dat de rechtsvoorganger van de Bank deze informatieplicht op zich zou nemen (in de zin van de ‘tenzij-bepaling’ van artikel 4:21 Wft), is de slotsom in deze procedure dat de rechtsvoorganger van de Bank Consument niet hoefde te informeren over de fiscale wetswijziging per 1 januari 2013.
Consument stelt zich evenwel op het standpunt dat er naast de informatieplicht die uit artikel 4:20 en 4:21 Wft voortvloeit, ook een privaatrechtelijke zorgplicht is op grond waarvan de Bank gehouden is om Consument te informeren over wezenlijke wijzigingen. Consument verwijst in dat verband naar artikel 2 van de Algemene Bankvoorwaarden 2009. De Commissie roept in herinnering dat het bij aansprakelijkheid wegens een zorgplichtschending juist gaat om de privaatrechtelijke zorgplicht. De privaatrechtelijke zorgplicht wordt evenwel (mede) ingekleurd door publiekrechtelijke normstellingen, zoals artikel 4:20 en 4:21 Wft. En hoewel de privaatrechtelijke zorgplicht verder kan gaan dan publiekrechtelijke normstellingen, ziet de Commissie geen aanleiding om een informatieverplichting aan te nemen die verder gaat dan waartoe de rechtsvoorganger van de Bank in dit geval op grond van artikel 4:20 en 4:21 Wft gehouden was. De ratio van artikel 4:21 Wft is namelijk om een doublure in de informatieverstrekking te voorkomen: de informatieplicht rust ófwel op de aanbieder van het product ófwel op de tussenpersoon. Aangezien er in dit geval een tussenpersoon is in de zin van artikel 4:21 Wft, zou het niet stroken met de ratio van dat artikel om ook van de Bank te verlangen dat zij Consument informeert over wezenlijke wijzigingen.
De Commissie wijst de vordering van Consument af.
Bron: Kifid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99