De berekeningen die de Bank vervolgens heeft gemaakt, worden vastgelegd in twee oriëntatierapporten (lineair en annuïtair). In beide oriëntatierapporten wordt het spaarleningdeel voortgezet met hetzelfde rentepercentage als het bestaande spaarleningdeel. Daarbij wordt een rentevastperiode van tien jaar vermeld.
Consument verkeerde in de veronderstelling dat deze rentevastperiode zou starten vanaf het moment van verstrekken van de nieuwe hypothecaire geldlening en vordert schadevergoeding.
De Bank heeft zich op het standpunt gesteld dat het eerder overeengekomen aanvangsmoment van de rentevastperiode van het oorspronkelijke spaarleningdeel bij de berekeningen is doorgelopen.
Consument heeft zich op het standpunt gesteld dat Consument en zijn echtgenote uit het feit dat in het Oriëntatierapport lineair en het Oriëntatierapport annuïtair een periode van tien jaar genoemd wordt, hebben mogen afleiden dat deze periode zou ingaan op het moment dat de nieuwe hypothecaire geldlening aan hen zou worden verstrekt (2018) en vervolgens nog tien jaar (tot 2028) zou doorlopen. Dienaangaande is de Commissie van oordeel dat de informatie in het Oriëntatierapport lineair en het Oriëntatierapport annuïtair over het aanvangsmoment van de periode van tien jaar weliswaar niet uitblinkt in duidelijkheid, maar dat Consument en zijn echtgenote desondanks hadden moeten begrijpen dat de Bank met deze periode van tien jaar gedoeld had op de rentevastperiode van tien jaar die in 2012 al door partijen voor dit meegroei-leningdeel was overeengekomen en derhalve in 2022 zou eindigen. De Commissie acht het niet aannemelijk dat Consument en zijn echtgenote ervan uit zijn gegaan dat de periode van tien jaar pas zou starten op het moment van het verstrekken van de nieuwe hypothecaire geldlening.
... Dat de Bank de rente om die reden in de twee tabellen ‘Maandelijkse kosten’ ongewijzigd heeft laten doorlopen en dat daardoor bij Consument en zijn echtgenote het beeld is versterkt dat de periode van tien jaar voor het meegroei-leningdeel zou starten vanaf het aangaan van de nieuwe hypothecaire geldlening, betekent naar het oordeel van de Commissie nog niet dat de Bank Consument en zijn echtgenote daarmee verkeerd dan wel onvoldoende heeft geïnformeerd. De Bank heeft immers onder de twee tabellen de volgende tekst opgenomen: “Omdat wij nu niet weten hoe de rente verandert, gebruiken we in deze tabel een rentetarief dat tijdens de looptijd niet verandert.” Overigens is ook in 2028 (afloopdatum rentevastperiode annuïtaire en lineaire leningdelen en de door Consument veronderstelde afloopdatum rentevastperiode meegroei-lenigdeel) een onveranderd rentetarief gehanteerd. Indien de verstrekte informatie in de twee tabellen niet duidelijk was, had het op de weg van Consument en zijn echtgenote gelegen om hierover vragen te stellen aan de Bank. Nu niet is gebleken dat zij dat hebben gedaan, kunnen zij achteraf niet met succes klagen dat de Bank hen verkeerd dan wel onvoldoende heeft geïnformeerd.
De Commissie is van oordeel dat Consument er niet vanuit mocht gaan dat de rentevastperiode opnieuw zou starten op het moment dat de nieuwe hypothecaire geldlening zou worden verstrekt en wijst de vordering af.
Bron: Kifid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99