Op 14 juli 2016 is in Nederland de wet aangepast in verband met de Mortgage Credit Directive (MCD). Dat is de Europese richtlijn voor woninghypotheken voor consumenten. In deze wetgeving staan onder meer normen voor de berekening van aflossingskosten. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft op 20 maart 2017 in een leidraad aangegeven hoe geldverstrekkers aan de nieuwe wettelijke norm kunnen voldoen.
Geldverstrekker heeft besloten deze leidraad met terugwerkende kracht vanaf 14 juli 2016 te hanteren bij de berekening van de aflossingskosten. Dit geldt ook voor de afkoopkosten die geldverstrekker in rekening brengt voor het tussentijds aanpassen van de rente tijdens een lopende rentevaste periode. Dit betekent dat geldverstrekker haar rekenmethode op enkele punten zal aanpassen.
Op basis van de herberekening heeft de huiseigenaar €5.775,49 retour gekregen.
De bevestigingsbrief bestaat uit twee delen. De eerste twee bladzijden zien concreet op de situatie van de huiseigenaar : de afkoopkosten en administratiekosten die hij moet betalen worden vermeld en de nieuwe kerngegevens voor beide leningdelen worden kort onder elkaar gezet. Het tweede deel van de brief, vanaf halverwege de tweede bladzijde tot en met de vierde bladzijde, bevat algemene informatie. Die algemene informatie betreft enerzijds voorwaarden in verband met de Nationale Hypotheekgarantie (NHG) en de voorwaarden waaronder de huiseigenaar in aanmerking komt voor een extra rentekorting voor klanten met een actieve betaalrekening (p. 2-3) en anderzijds de hiervoor geciteerde “achtergrondinformatie over een Tussentijdse Rente Aanpassing” (p. 4). Deze achtergrondinformatie beschrijft hoe de Bank de hoogte van afkoopkosten berekent bij tussentijdse wijzigingen van de hypotheekrente. Deze achtergrondinformatie bevat dus algemene voorwaarden die de Bank hanteert voor tussentijdse renteaanpassingen. Deze algemene voorwaarden noemt de rechtbank in het hiernavolgende “de afkoopvoorwaarden”.
De Richtlijn Oneerlijke bedingen is van toepassing op bedingen in overeenkomsten met consumenten waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. Bedingen die het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst vormen, vallen buiten de werking van de richtlijn voor zover zij duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.
De kantonrechter is van oordeel dat de Richtlijn Oneerlijke bedingen op de afkoopvoorwaarden van toepassing is, en wel op de volgende gronden.
De Hypotheekrichtlijn is van toepassing op met consumenten gesloten kredietovereenkomsten die voornamelijk verband houden met voor bewoning bestemde onroerende goederen. Deze richtlijn heeft tot doel een goed functionerende interne markt met een hoog niveau van consumentenbescherming te bevorderen, in samenhang met de overige op consumentenbescherming gerichte Unieregels als de Richtlijn Oneerlijke bedingen en de Richtlijn op het Consumentenkrediet. Lidstaten zijn verplicht de richtlijn toe te passen met ingang van 21 maart 2016, op kredietovereenkomsten die op of na die datum zijn aangegaan.
De huiseigenaar stelt dat de Hypotheekrichtlijn van toepassing is omdat de nieuwe afspraken ná 21 maart 2016 zijn gemaakt en omdat hij de afkoopsom na die datum moest betalen.
De Bank daarentegen stelt dat op 31 mei 2016 slechts de rente is aangepast; dit betekent volgens haar nog niet dat partijen een nieuwe kredietovereenkomst hebben gesloten. De Bank wijst erop dat de hypotheekovereenkomst stamt van vóór de datum waarop de richtlijn in het nationale recht is geïmplementeerd (14 juli 2016). Bovendien stelt de Bank dat de Hypotheekrichtlijn niet van toepassing is op tussentijdse renteaanpassingen.
De kantonrechter is van oordeel dat de afspraken van 31 mei 2016 zijn aan te merken als een kredietovereenkomst in de zin van de Hypotheekrichtlijn, en wel op de volgende gronden.
De afspraken van 31 mei 2016 betreffen de rente die de consument voor zijn hypothecaire lening moet betalen; dit is een wezenlijke prestatie die kenmerkend is voor de hypotheekovereenkomst. Ook blijkt uit de bevestigingsbrief van 31 mei 2016 dat door de nieuwe afspraken voorwaarden op die prestatie van toepassing werden die daarop eerder niet van toepassing waren. De Bank bedong de bevoegdheid om in de toekomst kortingen en opslagen op de rente te gaan berekenen in verband met de NHG, en huiseigenaar zou op de rente een Actieve Betaalrekening Korting krijgen mits zijn gebruik van de aan de lening gekoppelde betaalrekening aan de in de brief beschreven voorwaarden zou voldoen. De tegenprestatie die huiseigenaar als consument voor de hypothecaire lening moest leveren, is door de afspraken van 31 mei 2016 dus wezenlijk gewijzigd. De kantonrechter is van oordeel dat die afspraken betrekking hebben op een “door een hypotheek (…) gedekt krediet bestemd voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen” als bedoeld in de artikelen 1, 3 lid 1 sub a en 4 lid 3 van de Hypotheekrichtlijn. Dit betekent dat de Hypotheekrichtlijn op die afspraken van toepassing is. Een ander oordeel zou het mogelijk maken om nieuwe afspraken over hypothecaire leningen nog jarenlang buiten het toepassingsgebied van de Hypotheekrichtlijn te houden door kernbedingen in overeenkomsten van vóór 21 maart 2016 aan te passen.
Bovendien bestaat het op de bescherming van consumenten ziende Unierecht uit strekkingsbepalingen: niet de naam die partijen aan een rechtshandeling geven, maar de strekking van die rechtshandeling is bepalend voor de toepasselijkheid van dat Unierecht.
De kantonrechter is van oordeel dat een tussentijdse rentewijziging wezenlijk hetzelfde is als vervroegde aflossing, waarvan de gevolgen worden geregeld in artikel 25 van de Hypotheekrichtlijn. Voor de consument vermindert in beide gevallen de kredietlast. De Bank loopt in beide gevallen de oorspronkelijk overeengekomen rentevergoeding mis over het tijdvak tussen de vervroegde aflossing c.q. tussentijdse aanpassing en het oorspronkelijk overeengekomen moment van aflossing. De Bank heeft ter zitting bevestigd dat zij door tussentijdse renteaanpassing dezelfde schade lijdt als door vervroegde aflossing; artikel 8 BvG komt inhoudelijk ook overeen met de afkoopvoorwaarden.
De kantonrechter is van oordeel dat de afkoopvoorwaarden oneerlijk zijn, en wel op de volgende gronden.
Artikel 25 lid 3 van de Hypotheekrichtlijn bepaalt dat de kredietgever bij vervroegde aflossing recht heeft op een eerlijke en objectief verantwoorde vergoeding voor mogelijke kosten die daaraan rechtstreeks verbonden zijn; de consument kan evenwel geen boete worden opgelegd. De bepaling verplicht de kredietgever om de consument “onmiddellijk na ontvangst van diens verzoek” schriftelijk informatie te verstrekken. Die informatie dient ten minste te bevatten “een berekening van de consequenties voor de consument, en een duidelijke vermelding van de daarbij aangewende hypothesen”. Het is de bedoeling dat de consument aan de hand van die gegevens en uitgangspunten kan controleren of de vergoeding die hem in rekening wordt gebracht, klopt.
De bevestigingsbrief van 31 mei 2016 zet enkele kerngegevens omtrent de kredietovereenkomst op een rij, maar de wijze waarop de vermelde gegevens tot de door huiseigenaar te betalen afkoopkosten leiden, blijft onduidelijk. Zo blijft onduidelijk of de actuele rente waartegen contant wordt gemaakt de rente is op het moment van contractsluiting, of de rente op het moment van betaling van de afkoopkosten. Ook blijft onduidelijk of de Actieve Betaalrekening Korting – welke korting huiseigenaar inmiddels genoot en getuige de in de brief van 31 mei 2016 vermelde voorwaarden op elk moment lopende een kredietovereenkomst kan ingaan – bij het contant maken zou worden meegenomen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de brief van 31 mei 2016 niet de berekening en duidelijke vermelding van hypothesen bevat die hij op grond van artikel 25 lid 3 Hypotheekrichtlijn had moeten bevatten. De consument kon op basis van die brief de eerlijkheid van de in rekening te brengen vergoeding niet controleren.
Al deze omstandigheden in aanmerking nemend is de kantonrechter van oordeel dat de afkoopvoorwaarden oneerlijk zijn. Dit betekent dat de afkoopvoorwaarden buiten toepassing moeten worden gelaten, zodat de rechtsgrond aan de door huiseigenaar aan de Bank betaalde afkoopkosten is komen te vervallen. Daarmee heeft huiseigenaar de afkoopkosten onverschuldigd betaald.
De kantonrechter veroordeelt de Bank tot betaling aan de huiseigenaar van € 20.476,67
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99