Het hof ziet geen grond voor matiging boete ex art. 6:94 lid 1 BW.
De verkoper vordert een veroordeling van de koper tot een betaling van een bedrag van € 13.051,60 aan schadevergoeding (met wettelijke rente), een bedrag van € 975,= per maand aan schadevergoeding vanaf december 2015 tot het moment waarop de appartementsrechten aan een derde zijn verkocht, een bedrag van primair € 21.315,= althans subsidiair € 12.250,= aan verschuldigde boete (met wettelijke rente) en, ten slotte, van de proceskosten, inclusief nakosten, met wettelijke rente.
...
is deze partij in verzuim en heeft de wederpartij de al dan niet subsidiaire keus tussen:
a. uitvoering van de Koop te verlangen, in welk geval de partij die in verzuim is na afloop van voormelde termijn van acht dagen voor elke sedertdien ingegane dag tot aan de dag van nakoming een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd is van drie pro mille van de koopprijs; of
b. de Koop door een schriftelijke verklaring te ontbinden en betaling van een onmiddellijk opeisbare boete te vorderen van tien procent van de koopprijs.
3. Betaalde of verschuldigde boete strekt in mindering op eventueel verschuldigde schadevergoeding met rente en kosten.
(…)
De verkoper heeft voor ontbinding van de overeenkomst gekozen, zodat zij krachtens artikel VI lid 2 aanhef en sub b (enkel) recht heeft op de boete van tien procent van de koopprijs en de vordering tot betaling van de contractuele boete van € 12.250,= in beginsel toewijsbaar is.
Wat betreft de gevorderde schadevergoeding kan niet worden vastgesteld dat verkoper meer schade heeft geleden dan een bedrag van € 12.250,=, zodat, nu de verschuldigde boete op grond van artikel VI lid 3 van de overeenkomst in mindering strekt op verschuldigde schadevergoeding, de vordering tot betaling van schadevergoeding zal worden afgewezen.
Volgens aspirant-koper is matiging van de boete aangewezen omdat in het onderhavige geval een wanverhouding bestaat tussen de daadwerkelijke schade en de hoogte van de boete. Aspirant-koper zelf begroot de schade van Verkoper op een bedrag van € 9.751,60 wegens dubbele hypotheeklasten en stelt dat het gevorderde boetebedrag van € 12.250,= in een wanverhouding staat tot de omvang van dit schadebedrag.
Het hof overweegt dat matiging, gelet op het bepaalde in artikel 6:94 lid 1 BW, slechts mogelijk is indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, welke maatstaf meebrengt dat matiging slechts is toegestaan als toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99