Per brief van 11 mei 2015 heeft de Bank aan Consumenten laten weten dat uit haar onderzoek gebleken is dat het onderpand verhuurd wordt.
De Bank heeft per brief van 8 juni 2015 uit coulance aangeboden de registratie in de frauderegisters achterwege te zullen laten en Consumenten de mogelijkheid tot verkoop van het onderpand of oversluiting van de hypotheek te bieden.
Op 31 maart 2016 heeft de Bank een bericht gestuurd met verzoek opgave status verkoop van de woning.
Consumenten hebben op 4 april 2016 gereageerd en laten weten dat de verkoop niet wil vlotten. Zij hebben aangegeven dat het pand nog steeds verhuurd wordt. De Bank heeft vervolgens op 29 augustus 2016 laten weten dat zij uit coulance tot 1 januari 2017 eenaanvullend uitstel verleent. De Bank heeft aangegeven dat, wanneer de geldlening niet per 1 januari 2017 geheel zal zijn afgelost, de Bank tot onmiddellijk opeisen van de hypotheek zal overgaan, gevolgd door mogelijk een gedwongen verkoop van het onderpand.
De Bank heeft op 16 januari 2017 laten weten dat de geldlening op 1 februari 2017 zal worden overgedragen aan de haar hypotheekadministrateur Hypocasso.
Hypocasso heeft, namens de Bank, op 19 december 2017 de lening opgeëist. Zij heeft aangezegd tot openbare verkoop te zullen overgaan zeven dagen na 19 december 2017.
Consumenten hebben op 16 maart 2018 een brief aan de Bank verzonden met het verzoek de veiling te annuleren en in onderling overleg tot onderhandse verkoop te komen. De Bank is met dit verzoek niet akkoord gegaan. De woning is in juli 2018 executoriaal verkocht voor een bedrag van € 185.100,-.
Op 8 augustus 2018 bedroeg de restschuld € 93.040,68 volgens de opgave van Hypocasso.
De Commissie merkt op dat de Bank al in mei 2015 heeft aangegeven dat de geldlening zou worden opgeëist. Ruim drie jaar later is de woning pas geveild. De Commissie is van oordeel dat een dergelijke termijn van aanzegging tot uiteindelijke opeising niet als onredelijk kan worden aangemerkt.
Een en ander laat onverlet dat Consumenten vanwege de opzegging met een hoge restschuld geconfronteerd zijn. De Commissie heeft ter zitting aangegeven dat zij van de Bank in dergelijke situaties coulance verwacht. Zij heeft eveneens aangegeven dat zij tot die coulance niet kan verplichten.
De Commissie merkt op dat het aan Consumenten is alle stukken aan te leveren waaruit blijkt wat hun betalingscapaciteit is, zodat op basis daarvan afspraken kunnen worden gemaakt over de restschuld. Consumenten hebben echter niet alle benodigde stukken aangeleverd, terwijl zij daartoe naar het oordeel van de Commissie ruimschoots de tijd hebben gehad. De Commissie vertrouwt erop dat de Bank, indien en zodra Consumenten alsnog de benodigde stukken aanleveren, tot een coulante opstelling bereid is.
De Consument wordt in het ongelijk gesteld.
Bron: Kifid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99