MijnFintool

Nieuws

Uitleg echtscheidingsconvenant en overname voormalige echtelijke woning

Het Gerechtshof 's Hertogenbosch heeft een uitspraak gedaan omtrent de uitleg van het echtscheidingsconvenant. Relatie is in 2016 gescheiden. In het echtscheidingsconvenant is bepaald dat de (voormalige) echtelijke woning binnen twee jaar ná 1 januari 2016 – derhalve vóór 1 januari 2018 – dient te worden verkocht, alsook dat de man de vrouw kan “uitkopen”. De vrouw wenst (via de rechtbank), in het zicht van deze termijn en nu van haar niet kan worden verlangd dat zij met de man een gemeenschappelijk goed en schuld behoudt en de man niet in staat is gebleken om het ontslag van de vrouw uit hoofdelijke aansprakelijkheid te regelen, kort gezegd primair dat de woning aan haar wordt toegedeeld dan wel subsidiair dat deze woning wordt verkocht.

In het eindvonnis van 5 december 2018 heeft de rechtbank:
...
- de woning aan [adres] te [plaats] aan de vrouw toegedeeld tegen een waarde van € 290.000,00 onder de verplichting van de vrouw om de hypothecaire geldleningen voor haar rekening te nemen en de man te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze leningen alsmede om de lening van [naam] van € 27.266,00 voor haar rekening te nemen;
- de man bevolen medewerking te verlenen aan de levering van de woning;
...

Kort geding

De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis van 6 maart 2019:
...
- bepaald dat dit vonnis in de plaats treedt van de handtekening van de man onder de notariële transportakte die strekt tot levering van het aandeel van de man in de woning gelegen aan [adres] ( [postcode] ) te [plaats] aan de vrouw, onder de voorwaarde dat in de transportakte uitsluitend die bedragen tussen partijen mogen worden verrekend, die staan vermeld in het dictum van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 5 december 2018;
- de man veroordeeld om de woning aan [adres] te [plaats] uiterlijk op 20 maart 2019 met al het zijne en al de zijnen te ontruimen en ontruimd te houden met achterlating van de in de woning aanwezige aard- en nagelvaste zaken;
- de vrouw gemachtigd om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de woning op kosten van de man te ontruimen indien hij in gebreke blijft aan het onder rov. 7.2 van dat vonnis bepaalde te voldoen;
...

Geleverd

Op 27 maart 2019 is de (voormalige) echtelijke woning aan de vrouw geleverd.

Stellingname man, hoger beroep
De man stelt zich op het standpunt dat de woning aan hém toegedeeld dient te worden. Daartoe voert hij in de stukken aan dat hij de woning al geruime tijd voor het huwelijk heeft gekocht en dat hij deze woning zowel voor als tijdens het huwelijk heeft verbeterd, aangepast en verbouwd. De man heeft niet alleen tijd, maar ook veel geld in deze woning geïnvesteerd. De man wilde, in tegenstelling tot de vrouw, graag in de woning blijven wonen, maar had daartoe aanvankelijk niet de financiële middelen. Om deze reden zijn partijen met elkaar overeengekomen dat het voortgezet gebruik van de woning aan de man werd toegedeeld onder de verplichting om alle met de bewoning samenhangende kosten/lasten voor zijn rekening te nemen. Partijen spraken verder af dat de woning binnen twee jaar verkocht zou worden, te rekenen vanaf januari 2016, dan wel dat de man de woning zou overnemen onder de verplichting de helft van de overwaarde aan de vrouw te betalen. Partijen hadden met elkaar afgesproken dat zij [pas] in de maand januari 2018 met elkaar zouden moeten gaan overleggen wat er met de woning zou moeten gebeuren – toedelen aan de man of verkopen – maar de vrouw heeft in strijd met deze afspraak de man al begin 2017 een brief gestuurd waarin zij aangaf dat de woning vóór 1 januari 2018 verkocht moest zijn dan wel aan de man toegedeeld moest zijn, alsook dat de woning aan háár zou kunnen worden toegedeeld.

Het hof oordeelt als volgt.

Het convenant bepaalt dat de woning binnen twee jaar verkocht dient te worden, te rekenen vanaf januari 2016, dan wel dat de man de vrouw uitkoopt. Volgens de vrouw geldt ook voor de uitkoop een termijn van twee jaar, vanaf januari 2016; volgens de man hebben partijen met elkaar afgesproken dat zij in de maand januari 2018 met elkaar zouden moeten gaan overleggen wat er met de woning zou moeten gebeuren. Zo de man betoogt dat partijen na het convenant nog de door hem gestelde afspraak hebben gemaakt, heeft de vrouw deze voldoende gemotiveerd weersproken. Voor zover de man betoogt dat het convenant in die zin moet worden verstaan, bestaat er daarmee een geschil over de uitleg van het convenant.

Te laat

Het overleg waarop de man zich beroept, na de periode van twee jaar, verhoudt zich bovendien niet met de strekking van het convenant om geschillen juist te beëindigen. Veeleer dient daarom, zoals de vrouw betoogt, art. 3.11 aldus te worden begrepen dat ook voor de overname van de woning door de man de termijn van twee jaar geldt. Dat is de zin die partijen aan art. 3.11 mochten toekennen en dat is ook wat partijen redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Vast staat, dat de man er – bij gebreke aan financiële mogelijkheden – niet in is geslaagd om de woning vóór de aldus begrepen termijn onder de afgesproken voorwaarden over te nemen. Meer nog, de man heeft pas ná het vonnis van 5 december 2018 – derhalve ruim ná januari 2018 – met financiële gegevens getracht te onderbouwen dat hij financieel in staat zou zijn de woning onder de afgesproken voorwaarden over te nemen. Gelet op het voorgaande kan de man zich niet meer beroepen op het convenant voor toedeling van de woning aan hem.

Opheffen onverdeeldheid
Ingevolge art. 3:178 lid 1 BW kan ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen, tenzij uit de aard van de gemeenschap of uit het in de overige leden van dat artikel bepaalde anders voortvloeit. Het stond de vrouw, nu het convenant niet heeft kunnen leiden tot opheffing van de onverdeeldheid tussen partijen, aldus vrij om (alsnog) verdeling van de woning te vorderen. Indien vaststelling van de verdeling door de rechter wordt gevorderd, zoals in deze zaak, kan ieder van de betrokken partijen naar voren brengen hoe naar haar zienswijze deze verdeling moet plaatsvinden, zonder dat de rechter gebonden is aan hetgeen partijen aldus voorstellen.

Belang

De man stelt tot slot dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het bepaalde in art. 3:178 lid 3 BW. Dit artikel bepaalt dat indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend, de rechter voor wie een vordering tot verdeling aanhangig is, op verlangen van een deelgenoot een of meermalen, telkens voor ten hoogste drie jaren, een vordering tot verdeling kan uitsluiten. Bij beantwoording van de vraag of de door de verdeling getroffen belangen aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door verdeling zijn gediend, moeten de belangen van beide partijen tegen elkaar worden afgewogen, rekening houdend met alle feiten en omstandigheden van het geval.

Nu de man echter heeft nagelaten te concretiseren waarom zijn door de verdeling getroffen belangen groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend, gaat het hof hieraan voorbij.

Beslissing

Het Hof stelt de man op dit onderdeel in het ongelijk. De vrouw hoeft de woning niet aan de man te leveren.


Bron: Rechtspraak.nl

Reacties

Er zijn (nog) geen reacties op dit artikel

Reageren? Graag eerst inloggen.

Permanent Actueel met Fintool?

Als professioneel financieel adviseur moet en wilt u bijblijven en dat het liefst in zo weinig mogelijk (kostbare) tijd. Dat kan nu met Fintool.nl! Meld u nu aan als abonnee en krijg direct toegang tot de Kennisbank en Helpdesk.
Lees verder

Fintool bv © 2003/2025. Alle rechten voorbehouden.
Lees graag de leveringsvoorwaarden en het privacy reglement.

1
1