Als uitgangspunt stelt de Commissie voorop dat de Bank op grond van haar beleidsvrijheid bij een (substantiële) wijziging van een hypothecaire geldlening advies verplicht mag stellen en daarvoor advieskosten in rekening mag brengen. De omstandigheid dat Consument in het onderhavige geval geen behoefte had aan advies aangaande de tweede verhoging van de geldlening maakt dit niet anders.
Het feit dat de tweede verhoging twee jaar na de eerste verhoging is aangevraagd, maakt dit niet anders.
Immers, Consument heeft zelf de keuze gemaakt om destijds € 50.000,- te lenen in plaats van € 100.000,-. Dat de Bank later kosten in rekening brengt, omdat Consument toch € 50.000,- wil bijlenen, is een gevolg van die keuze en dit gevolg dient naar het oordeel van de Commissie voor rekening van Consument te blijven.
Voorts dient de Commissie te beoordelen of de Bank gehouden kan worden om een lagere rente in rekening te brengen dan vermeld in het rentevoorstel. De Commissie beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt hiertoe het volgende.
Bij het uitbrengen van een rentevoorstel door de Bank is artikel 68b van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (hierna: BGfo) van belang.
Artikel 68b BGfo luidt als volgt:
1. Indien de rentevastperiode van een overeenkomst inzake hypothecair krediet met een vaste debetrentevoet afloopt na 1 april 2013 informeert de aanbieder de consument ten minste drie maanden voor het aflopen van de rentevastperiode over het aflopen van die periode en verstrekt informatie over de maximale debetrentevoet die zal gelden voor de komende rentevastperiode waarbij de maximale debetrentevoet bij minimaal drie rentevastperiodes, indien aangeboden, wordt aangegeven.
2. Gelijktijdig met het aanbod, bedoeld in het eerste lid, verstrekt de aanbieder tevens informatie over de mogelijkheid:
a. om boetevrij over te sluiten bij het aflopen van de rentevastperiode; en
b. om advies over oversluitmogelijkheden in te winnen bij de aanbieder of een andere financiëledienstverlener.
3. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van een nieuwe debetrentevoet informeert de aanbieder de consument op papier of op een andere duurzame drager over:
a. het termijnbedrag dat moet worden betaald nadat de nieuwe debetrentevoet in werking is getreden; en
b. indien van toepassing, wijzigingen in het aantal of de frequentie van de termijnbedragen.
Omdat de rentevastperiode afliep op 1 november 2019, heeft de Bank conform het eerste lid van artikel 68b BGfo meer dan drie maanden daarvoor Consument geïnformeerd over de maximale rente die zal gelden voor de komende rentevastperiode. De Bank heeft toegelicht dat de gedachte achter de ruime termijn van meer dan drie maanden is dat consumenten daarmee in de gelegenheid gesteld worden om zich te oriënteren op een oversluiting naar een andere geldverstrekker.
De Bank heeft verklaard dat, nadat eenmaal een rentevoorstel uitgebracht is, een eventuele daling of stijging van de rente voor de Bank geen aanleiding is voor een aanpassing van het rentevoorstel, dit staat ook vermeld in de aanbiedingsbrief.
De Commissie overweegt dat artikel 68b BGfo niet uitsluit dat de Bank een rentedaling verwerkt in een uitgebracht rentevoorstel, maar dat dit artikel dat ook niet voorschrijft. Het is bovendien niet gebleken dat de Bank een contractuele verplichting heeft om Consument te laten profiteren van de gedaalde rente na het uitbrengen van het Rentevoorstel. Het behoort dan ook in beginsel tot de beleidsvrijheid van de Bank om te bepalen of zij eenmalig een rentevoorstel uitbrengt of dat hier wijzigingen in aangebracht kunnen worden als de rente voor het aflopen van de rentevastperiode stijgt of daalt. Het klachtonderdeel is ongegrond.
Bron: Kifid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99