De afgelopen periode zijn er bijna 50 impulskamers gehouden. Dit zijn gesprekken tussen een gemeente, leden van het expertteam woningbouw en ambtenaren van mijn ministerie. Deze gesprekken hadden tot doel om de gemeenten op weg te helpen met de aanvraag en onduidelijkheden over de voorwaarden weg te nemen.
Het klopt inderdaad dat projecten die in aanmerking willen komen voor de woningbouwimpuls op het moment van de aanvraag al in een relatief ver stadium moeten zijn. Zo helpt het bijvoorbeeld als gemeenten al met betrokken private partijen in gesprek zijn over het project. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt welke kosten en opbrengsten het project kent en of en zo ja hoe groot het publieke financiële tekort is. Ik vind dit belangrijk, omdat het woningtekort groot is en ik eraan hecht dat deze woningen er ook snel komen. Hoe priller de plannen, hoe langer de realisatietijd en hoe meer onzekerheden er zijn, bijvoorbeeld of de plannen in de huidige vorm ook daadwerkelijk uitgevoerd worden. Voorkomen moet worden dat middelen aan projecten worden toegekend die niet ver genoeg zijn en uiteindelijk niet tot realisatie komen en daarmee niet beschikbaar komen voor andere projecten die wel kunnen leveren. Een deel van de projecten is ver genoeg om van de eerste tranche van de woningbouwimpuls gebruik te maken, voor andere projecten geldt dat ze zich in een eerder stadium bevinden en in de planvorming met een eventuele bijdrage uit de woningbouwimpuls rekening kunnen houden. Voor alle projecten geldt dat op het moment van de aanvraag helder gemaakt moet worden in hoeverre de bijdrage echt nodig is.
De definitie van betaalbare woningen is opgenomen in het Besluit Woningbouwimpuls 2020 en valt uiteen in drie categorieën: sociale huurwoningen, middenhuurwoningen en betaalbare koopwoningen. De aanvangshuren en vrij-op-naamprijzen in het Besluit betreffen maxima. Op basis van deze grenzen zullen rapportages worden opgesteld over de realisatie van de doelstellingen van de woningbouwimpuls. Tegelijkertijd kan het zijn dat een gemeente, binnen de context van haar woningmarkt, lagere grenzen hanteert.
Op basis van draagkracht van huishoudens en rekening houdend met de slagingskansen voor de doelgroep heb ik voorgesteld om de inkomensgrens voor sociale huurwoningen bij woningcorporaties beter te gaan richten. Ik stel daarom voor de DAEB-inkomensgrens voor meerpersoonshuishoudens te verhogen naar € 43.126 (prijspeil 2020), zo komen ook gezinnen met een laag middeninkomen in aanmerking voor een woning in de sociale huursector. De inkomensgrens voor eenpersoonshuishoudens stel ik daarnaast vast op € 35.938 (prijspeil 2020). Op basis van de indicaties die Nibud geeft over huishoudensbudgetten heeft een eenpersoonshuishouden met een inkomen van € 35.938 voldoende bestedingsruimte voor een woning in het middenhuursegment.
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99