De invoering van de nieuwe bepalingsmethode voor de energieprestatie van gebouwen leidt onder andere tot een nieuwe indicator van de energieprestatie (kWh/m2.jr) en een nieuwe klassenindeling van het energielabel. Het uitgangspunt van een zuiver technische en zoveel mogelijk beleidsneutrale overgang houdt in dat als gevolg van de nieuwe indicator en klassenindeling er geen aanscherping of verzachting van bestaande beleidsmatige grenzen en normen plaatsvindt. Om die reden is bij de bepaling van de grenzen tussen de energielabelklassen ervoor gekozen om de verdeling van de gebouwen over de verschillende labelklassen zo gelijk mogelijk te houden. Hierdoor blijven zoveel mogelijk gebouwen in dezelfde labelklasse.
Voor het Vereenvoudigd Energielabel (VEL) voeren woningeigenaren een beperkt aantal woningkenmerken online in. Een erkend deskundige controleert op afstand de bewijsstukken. Als de bewijsstukken worden goedgekeurd registreert de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland het energielabel. Met het vervallen van het VEL, vervalt ook de invoer van woningkenmerken door de woningeigenaar en de controle op afstand door de erkend deskundige. Voor de nieuwe situatie vanaf 1 januari 2021 is het nodig de woning precies op te nemen en veel meer kenmerken in te voeren. Voor de woningeigenaar is dit te ingewikkeld en tijdrovend om zelf te doen. Kleine meetfouten in de geometrie van een woning hebben veel invloed op de einduitkomst en daarmee de labelletter. Daarom moet een energieadviseur de woning opnemen, die vervolgens de energieprestatie van de woning registreert in de energielabeldatabase van RVO. In gevallen kan ook gebruik gemaakt worden van referentiewoningen. Vanaf 1 januari 2021 is er maar één energielabelsystematiek en kunnen er dus geen verschillen bestaan tussen daadwerkelijke of toegekende labelletters.
Voor de woningeigenaar is dit te ingewikkeld en tijdrovend om zelf te doen. Kleine meetfouten in de geometrie van een woning hebben veel invloed op de einduitkomst en daarmee de labelletter. Daarom moet een energieadviseur de woning opnemen. Uit onderzoek van SIRA (2019) blijkt dat wordt geschat dat voor eengezinswoningen de kosten rond de € 190 zullen uitkomen voor de opname en registratie van een energielabel. Dit betekent een stijging van € 170 per label. Voor appartementen is de tijdsbesteding lager en daarmee ook de kosten van het energielabel. Deze kosten worden geschat op € 100 per label. Een stijging van € 80 per label. Het gaat hierbij om een kostenstijging ten opzichte van het huidige vereenvoudigde energielabel.
Ook gegeven de geldigheidsduur van 10 jaar en het feit dat een woning gemiddeld één keer in de 20 jaar verkocht wordt, maakt de kosten acceptabel. Woningeigenaren worden alleen met deze kosten geconfronteerd wanneer zij een woning gaan verkopen of verhuren en nog niet beschikken over een geldig energielabel of geldige Energie-Index.
Het effect van de Primaire Energiefactor (PEF) op de nieuwe labels hangt sterk af van de maatregelpakketten die zijn toegepast. Gebouwen met pakketten die relatief veel elektriciteit gebruiken voor verwarmen en/of koelen zullen gemiddeld een beter label krijgen. Dit geldt voor zowel woningen als utiliteitsbouw. Gebouwen die met bijvoorbeeld veel zonnepanelen zelf elektriciteit opwekken daarentegen, zullen gemiddeld een minder goed label krijgen. Dit heeft te maken met het feit dat de elektriciteitsopwekking in het landelijk elektriciteitsnet steeds duurzamer is geworden, zodat eigen elektriciteitsproductie als “concurrent” van het landelijke net relatief minder positief gaat scoren.
Het landelijk elektriciteitsnet wordt steeds duurzamer. De nieuwe rekenmethodiek houdt daarmee rekening. Zonnepanelen leveren daardoor ten opzichte van de vorige methodiek een relatief kleinere bijdrage aan de energieprestaties van het gebouw. Dat neemt niet weg dat het toepassen van zonnepanelen nog steeds resulteert in een verbetering van het energielabel en onveranderd belangrijk is voor de doelstelling van hernieuwbare energie.
De verplichting van een energielabel of – index geldt uitsluitend in die gevallen dat er sprake is van een mutatie; het gaat daarbij om de verkoop van een woning of om het afsluiten van een huurovereenkomst met een nieuwe huurder. Daarbij geldt, dat een energielabel- of index 10 jaar zijn geldigheid behoudt. Er wordt uitsluitend naar de bouwjaarklasse gekeken voor de bepaling van de energieprestatie in het kader van het woningwaarderingsstelsel. De bouwjaarklassen zijn bepaald op basis van de energieprestatie die een woning geacht wordt minimaal te realiseren op grond van de in het bouwjaar vigerende bouwnormen. Daarbij gaat het om de datum van oplevering van een gereed pand.
Gemeenten wordt de mogelijkheid gegeven om voor de buurten waar dat echt nodig is een opkoopbescherming in te kunnen voeren. Een gemeente zal in de buurten waar de opkoopbescherming geldt aan bonafide verhuurders vergunningen blijven afgeven voor gewenste vormen van verhuur. Daarbij kan gedacht worden aan woningen die verhuurd worden aan familieleden, woningen die onderdeel zijn van een winkel-, kantoor- of bedrijfspand of zittende kopers die verhuizen naar een andere woning en hun eerste woning willen verhuren. Via de opkoopbescherming zullen eisen gesteld worden aan deze vergunning ten aanzien van goed verhuurderschap. Ik (Minister Ollongren) zal de opkoopbescherming invoeren voor een periode van drie jaar en vervolgens evalueren.
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99