De huiseigenaar heeft aannemersbedrijf [naam aannemersbedrijf] opdracht gegeven de kosten te begroten voor de werkzaamheden die nodig zijn om vochtdoorslag in de kelderwanden te voorkomen. Deze kosten zijn op 23 januari 2018 begroot op € 63.150,00 exclusief BTW. In verband met de tussentijds gestegen prijzen in de bouw bedraagt de offerte thans een bedrag van € 68.224,10 exclusief BTW.
De huiseigenaar heeft vervolgens bij brieven van 7 februari 2018 en 8 februari 2018 de verkoper aansprakelijk gesteld voor het door hem in de woning geconstateerde gebrek en aanspraak gemaakt op de herstelkosten van dit gebrek.
[koper/ huiseigenaar] heeft aan zijn vorderingen onder 1. tot primair schadevergoeding, althans subsidiair gedeeltelijke ontbinding, ten grondslag gelegd dat [verkoper] tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst. De aan [koper] geleverde woning is non-conform. Er is immers sprake van vochtoverlast die aan normaal gebruik van de woning in de weg staat. Aan de meer subsidiair ingestelde vordering onder 1. heeft [koper] ten grondslag gelegd dat sprake is van dwaling. [verkoper] heeft nagelaten [koper] over de vochtoverlast in te lichten, terwijl hij daarvan wist.
De benoemde gebreken doen niet af aan het normaal gebruik van de woning ‘als woning’. De gebreken manifesteren zich op specifieke plaatsen, gedeeltelijk aan de buitenzijde van de woning, en doen niet af aan haar bewoonbaarheid. Ondanks het gegeven dat door de deskundige is geconstateerd dat sprake is van witte uitbloei en donker gekleurde vlekken op de keldermuren (pagina 2 van het deskundigenrapport), betekent zulks niet dat de kelder niet gebruikt zou kunnen worden. De rechtbank overweegt daartoe dat ten aanzien van de witte uitbloei tussen partijen vaststaat dat deze reeds vanaf de nieuwbouw aanwezig is geweest en is veroorzaakt doordat de keldermuren tijdens de bouw langere tijd open en bloot hebben gestaan (pagina 2 van het deskundigenrapport).
Met betrekking tot de donkere vlekken heeft [huiseigenaar] ter comparitie verklaard dat hij in de afgelopen jaren één keer, in 2018, water op de vloer heeft gehad, dat het ging om een plek van 1,5 meter en dat bij langere regenval de muren natter worden. Dit incidentele voorval maakt echter niet, en dat is overigens ook niet door [huiseigenaar] gesteld, dat de woning in geheel niet geschikt is voor gebruik als woning.
De onvolkomenheden aan de waterkerende strook, het inklinken van de ondergrond en de verkeerde afwatering van de zware betontegels betekenen immers niet dat de woning op dit moment (of binnen afzienbare tijd) niet kan worden bewoond of dat aanzienlijk wordt (of zal worden) ingeboet op het normale woongenot. Ook is niet gesteld, en evenmin gebleken, dat de gezondheid van de bewoners van de woning in gevaar zou zijn. Dit betekent dat de genoemde gebreken niet in de weg staan aan het normaal gebruik als woonhuis.
Het voorgaande leidt ertoe dat er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van non-conformiteit als bedoeld in artikel 7:17 BW. De primaire en subsidiaire vordering onder 1. van [huiseigenaar] zullen om die reden worden afgewezen.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99