Tussen partijen is niet in geschil dat na overlijden geen sprake is van een eigen woning in de zin van de eigenwoningregeling. De Inspecteur heeft de aftrekbare eigenwoningrente gecorrigeerd voor 361/365e deel, nu volgens de Inspecteur geen aftrek mogelijk is voor het deel na 4 januari 2014.
Belanghebbenden betogen dat, nu op het moment van de vooruitbetaling van rente sprake was van een eigenwoningschuld, de rente geheel aftrekbaar is. Belanghebbenden betogen dat uit artikel 3.147 Wet IB 2001 volgt dat het tijdstip van aftrekbaarheid het moment van betaling is. Dit middel faalt volgens de A-G. Om voor aftrek in aanmerking te komen moet sprake zijn van een verschuldigde betaling. Ook vooruitbetaalde rente komt in beginsel in aanmerking voor aftrek. Wat onder ‘vooruitbetalen’ is te verstaan, heeft de Hoge Raad beslist in 2002. Van vooruitbetaalde rente is sprake wanneer rente wordt betaald op een tijdstip dat ligt vóór de periode waaraan deze in economische zin dient te worden toegerekend.
Daarnaast moet de rentebetaling betrekking hebben op een eigenwoningschuld. De kwalificatie als eigen woning ziet niet op een momentopname, maar op een omstandigheid die een duurkarakter heeft. Nu de woning na 4 januari 2014 niet meer als eigen woning kwalificeert, kan er vanaf die datum geen aftrek worden genoten.
Voorts voeren belanghebbenden aan dat indien de Hoge Raad oordeelt dat er sprake is van vooruitbetaalde rente, deze rente aftrekbaar is op grond van artikel 3.147 jo. artikel 3.120, lid 3, onderdeel a, jo. artikel 3.120, lid 4, laatste volzin Wet IB 2001. Dit middel faalt eveneens, aldus de A-G, nu die bepalingen alleen gelden voor renten die eindigen na afloop van het belastingjaar.
De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbenden ongegrond dient te worden verklaard. De Hoge Raad moet nog uitspraak doen.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99