Door tussenkomst van Adviseur kwam daarna een overeenkomst met Consument en haar partner van een hypothecaire lening, een verstrekking van een hypotheek en een overlijdensrisicoverzekering tot stand.
De annuïtair dalende overlijdensrisicoverzekering is op 1 november 2013 gesloten met de voormalige partner als verzekeringnemer en eerste verzekerde en Consument als tweede verzekerde. De looptijd was 11 jaar en de premie € 34,49 per maand. Het bij aanvang verzekerde kapitaal bedroeg € 115.000,- en daalde elke maand met een annuïteiten-percentage van 3,35%. Op de einddatum zou nog een kapitaal verzekerd zijn van € 50.000,-.
a) uzelf;
b) uw nabestaande partner;
c) uw erfgenamen.
In de maand maart 2015 hebben Consument en haar partner hun affectieve relatie verbroken. Op 5 december 2015 overleed de voormalige partner van Consument. Uit de overlijdens-risicoverzekering kwam een bedrag van € 104.427,- vrij, dat door verzekeraar in het kader van de verpanding aan de bank werd overgemaakt ten behoeve van de erfgenamen van de voormalige partner ter aflossing van de hypothecaire geldlening.
Tussen de erfgenamen van de voormalige partner en Consument is daarna een procedure gevoerd. Consument vorderde in reconventie dat de rechtbank de onredelijke uitkomst van het ontbreken van de begunstiging op de verzekeringspolis zou corrigeren op grond van redelijkheid en billijkheid. Bij proces-verbaal van de comparitie van partijen, bevolen bij arrest door het Gerechtshof Den Haag van 12 juni 2018 en gehouden op 11 juli 2018, zijn de erfgenamen en Consument een schikking overeengekomen.
Consument stelde Adviseur aansprakelijk voor het feit dat zij niet als begunstigde op de polis was opgenomen. Partijen bleven na een uitvoerige discussie van mening verschillen, waarna Consument zich tot het Kifid wendde.
De Adviseur is tekortgeschoten in het nakomen van de door hem te betrachten zorgplicht door twee hoofdelijke schuldenaren met betrekking tot de hypothecaire geldlening te adviseren, maar er niet voor zorg te dragen dat Consument na het overlijden van haar voormalige partner in aanmerking kwam voor de uitkering uit hoofde van de overlijdens-risicoverzekering. Door het ontbreken van de juiste begunstiging is Consument in een financieel ongunstige positie verzeild geraakt.
Omdat de voormalige partner van Consument ervaring had met het aanvragen van een hypotheek is met hem een execution-only overeenkomst gesloten. Voor het verkrijgen van de hypothecaire geldlening was echter wel de medewerking van Consument nodig, omdat het verkrijgen van de hypotheek op één inkomen niet mogelijk was. Consument zou echter hebben bedongen dat zij op geen enkele manier kosten wilde dragen voor de aan te kopen woning. Zowel de offerte voor de hypotheek als de begunstiging van bijbehorende overlijdensrisicoverzekering zijn uitvoerig met beiden besproken. Een kruislings te sluiten overlijdensrisicoverzekering was geen optie, omdat Consument geen premie hiervoor wilde betalen. De voormalige partner zou, als verzekeringnemer, daarom de verzekerings-premie voldoen en heeft uiteindelijk zelf de keuze gemaakt voor de op de polis standaard opgenomen begunstiging.
De Commissie stelt vast dat Adviseur in het najaar van 2013 de voormalige partner en vervolgens ook Consument heeft bijgestaan in het traject voor het verkrijgen van een hypothecaire lening en het sluiten van een overlijdensrisicoverzekering.
De Commissie stelt voorts vast dat Adviseur slechts een summier dossier heeft vervaardigd, waarin zich onder andere een ‘Verklaring Geen Advies t.b.v. Hypotheek: Execution Only’ bevindt. Deze is echter alleen door de voormalige partner ondertekend, terwijl niet ter discussie staat dat Consument en haar voormalige partner een hypothecaire geldlening zijn aangegaan voor een bedrag van € 205.000,-.
In het dossier bevinden zich verder geen gespreksnotities, zodat het de Commissie niet duidelijk is op welke wijze Adviseur met beiden, en in het bijzonder met Consument, de inhoud en strekking van de overlijdensrisicoverzekering heeft besproken.
Hiermee is onvoldoende vast komen te staan dat Consument er expliciet op is gewezen dat zij weliswaar een hypothecaire geldlening is aangegaan, maar bij het overlijden van haar voormalige partner niet als begunstigde zou worden aangemerkt voor het uit hoofde van de overlijdensrisicoverzekering uit te keren kapitaal. De Adviseur heeft in ieder geval geen documenten kunnen overleggen waaruit kan worden opgemaakt dat Consument zich ook voldoende bewust was van de financiële gevolgen die hiermee gemoeid waren.
Naar het oordeel van de Commissie mag geen twijfel bestaan of een dergelijke essentieel element onderwerp van gesprek is geweest tussen Consument en de Adviseur. Gezien de hypotheekconstructie ligt het namelijk niet voor de hand dat zij niet als begunstigde in de overlijdensrisicoverzekering zou worden opgenomen. Als dit wel een bewuste keuze van Consument was geweest, dan had dit – gezien de vergaande financiële gevolgen – schriftelijk door Adviseur moeten zijn vastgelegd.
De Commissie nodigt Consument uit om haar schade te onderbouwen mede in het licht van de door haar bereikte schikking met de erfgenamen van haar voormalige partner. Verder wordt Adviseur de mogelijkheid geboden om zich uit te laten over de door hem in een eerder stadium betwiste vordering van Consument. Welk bedrag aan premies heeft de voormalige partner voldaan, hoeveel geld heeft hij ingebracht bij de aankoop van de woning en wat waren de door hem betaalde verbouwingskosten?
Bron: Kifid
Redactie Fintool: Er valt wel wat op af te dingen dat de langstlevende een uitkering krijgt, terwijl de erfgenamen de woning + hypotheek (helft) verkrijgen. De relatie is immers beëindigd. Nabestaanden dienen dan bij voorkeur wel zorg te dragen voor beëindiging hoofdelijke aansprakelijkheid langstlevende, maar een en ander hoeft dan niet tot een schadevergoeding te leiden. In de einduitspraak wordt hopelijk duidelijk welke schade de langstlevende (aantoonbaar) geleden heeft.
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99