Koper heeft erkend dat hij geen bankgarantie of waarborgsom heeft verstrekt, omdat hij ervan uit ging dat zijn adviseur, die hem tijdens deze koop begeleidde, tijdig een beroep had gedaan op het financieringsvoorbehoud. Tijdens de comparitie heeft koper aangegeven dat zijn adviseur dit telefonisch heeft gecommuniceerd met de makelaar, maar niet volgens de contractueel voorschreven formaliteiten.
De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat het financieringsvoorbehoud tijdig conform artikel 7 van de koopovereenkomst door koper is ingeroepen, zodat koper verplicht was tot het storten van de waarborgsom danwel het stellen van de bankgarantie van € 630.000,00. Nu niet in geschil is datkoper geen waarborgsom heeft gestort danwel de bankgarantie heeft verstrekt, betekent het voorgaande dat koper de contractuele boete op grond van artikel VI lid 2 sub b van de koopovereenkomst is verschuldigd.
Koper heeft een beroep gedaan op matiging van de boete. Hij heeft aangevoerd dat hij op zijn adviseur heeft vertrouwd, hem heeft verzocht geen boetes te laten verbeuren en er ook op mocht vertrouwen dat hij het financieringsvoorbehoud had ingeroepen. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat er een flinke discrepantie bestaat tussen de contractuele boete en de werkelijke schade van Grondbedrijf, die overigens nog niet vaststaat. Tot slot heeft koper aangevoerd dat partijen niet hebben onderhandeld over het boetebeding.
De rechtbank stelt voorop dat voor de in artikel 6:94 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) opgenomen matiging slechts plaats kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Toepassing van een boetebeding moet in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leiden. Daarvan is niet gebleken. Grondbedrijf heeft aannemelijk gemaakt dat zij wel degelijk schade heeft geleden, aangezien het pand nog altijd te koop staat en de met koper overeengekomen koopsom tot op heden niet is behaald en in de onzekere tijden van corona waarschijnlijk ook niet meer zal worden behaald. De schade die Grondbedrijf heeft geleden is aldus in de orde van grootte van het boetebeding, zodat van een discrepantie tussen de werkelijk geleden schade en de gevorderde boete niet gebleken is.
Dat koper op zijn adviseur heeft vertrouwd en heeft mogen vertrouwen kan hem niet baten. Zoals hij zelf ook heeft erkend tijdens de comparitie heeft Grondbedrijf niets verkeerd gedaan en staat Grondbedrijf buiten de relatie die koper met zijn adviseur heeft. Dat zijn adviseur het financieringsvoorbehoud niet op tijd heeft ingeroepen, ligt in zijn risicosfeer en dient voor zijn rekening te komen. Dit levert geen omstandigheid op die tot matiging kan leiden.
Het verweer van koper dat niet afzonderlijk is onderhandeld over het boetebeding kan evenmin slagen. Nog afgezien van het feit dat dit verweer niet is onderbouwd, heeft Grondbedrijf terecht en onbetwist aangevoerd dat het boetebeding in de praktijk niet ongebruikelijk is en voor koper zelfs gebruikelijk aangezien hij op het gebied van handel in onroerend goed beschouwd kan worden als een professional.
De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval geen aanleiding tot matiging van de boete. Het voorgaande betekent dat koper aan Grondbedrijf verschuldigd is een bedrag van € 630.000,00.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99