Daartoe overweegt de rechtbank dat de man na de echtscheiding met (stilzwijgende) instemming van de vrouw in de woning is blijven wonen, dat hij alle schulden van partijen, zowel de hypotheekschuld als overige schulden als zijn schulden heeft beschouwd en daarop aanzienlijke bedragen heeft afbetaald, dat de man alle overige met de bewoning van de woning gemaakte kosten, waaronder ook de onderhoudskosten, voor zijn rekening heeft genomen, alsmede dat de vrouw eerst aanspraak heeft gemaakt op een aandeel in de waarde van de woning, toen de man haar heeft gevraagd mee te werken aan het opmaken van een notariële leveringsakte, waarbij het aandeel van de vrouw in de woning aan de man zou worden overgedragen.
Partijen hebben zich na 2012 ook gedragen alsof de woning na de echtscheiding was verdeeld.
De vrouw heeft de woning immers niet gemeld bij de gemeente toen zij aanspraak heeft gemaakt op een uitkering krachtens de Participatiewet, terwijl de gemeente de bijstand ook nog op de man heeft verhaald.
Ook heeft de vrouw, zo is door de man onweersproken gesteld, de eigendom van de woning niet bij de belastingdienst gemeld.
Dat de vrouw eerst in 2018 erachter kwam dat zij een woning bezat, acht de rechtbank niet aannemelijk. Niet alleen was de vrouw blijkens de door de man overgelegde leveringsakte aanwezig bij de notaris op het moment van levering van de woning, ook is in het namens de vrouw in 2012 ingediende echtscheidingsverzoek de verdeling van de woning aan de orde gesteld.
In dit geschil heeft op grond van redelijkheid en billijkheid als datum van de waardebepaling van de woning de datum van de echtscheiding in 2012 te gelden.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99