Op grond van artikel 18 van de koopovereenkomst stellen wij jullie in gebreke en verzoeken jullie per ommegaande tot nakoming over te gaan.
Indien jullie binnen 8 dagen na heden geen gehoor geeft aan uitvoering van de overeengekomen afspraak, zijn jullie in verzuim en is door jullie een boete (10% van de koopprijs, zijnde €51.500) verschuldigd.
(…)
Daarnaast hebben wij afgesproken dat het huis in de verkoop blijft bij de heer [F] Makelaardij. Indien zich geschikte kandidaten aandienen en het huis aan derden verkocht kan worden, voordat er zicht is op afname door jullie, zullen jullie per leveringsdatum het huis verlaten. Tot die tijd gedogen wij jullie aanwezigheid in het huis onder de verplichting om op het huis te passen zonder dat hier rechten aan ontleend kunnen worden.”.
Op 30 december 2011 heeft belanghebbende de oude woning geleverd aan [B] voor de oorspronkelijke koopprijs van 14 september 2008 van € 515.000 minus 10% (€ 51.500).
In de aangifte IB/PVV 2010 heeft belanghebbende zowel de oude als de nieuwe woning aangemerkt als eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). In deze aangifte is voor beide woningen een negatief bedrag als belastbare inkomsten aangegeven.
In geschil is of de oude woning in 2010 kwalificeert als eigen woning in de zin van artikel 3.111, tweede lid, van de Wet IB 2001. Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is van een kraakwacht-situatie.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 3.111, tweede lid, van de Wet IB 2001 volgt dat als leegstaand wordt aangemerkt een woning waarin enig meubilair staat dan wel waarin uitsluitend een zogenoemde kraakwacht verblijft. Onder de bepaling valt niet een woning die in afwachting van verkoop tijdelijk wordt verhuurd of een woning die, ook al is het tijdelijk, een andere bestemming heeft.
Van een kraakwacht-situatie is sprake in een geval waarin met een derde is overeengekomen dat hij zorg zal dragen dat de woning niet wordt gekraakt, en deze derde, behoudens een beperkte bijdrage in de energiekosten, geen vergoeding hoeft te betalen voor het daarmee gepaard gaande verblijf in de woning en hij de woning zal moeten verlaten zodra de eigenaar dat noodzakelijk acht. Dat die zogenoemde kraakwacht in het kader van de met hem overeengekomen werkzaamheden verblijf houdt in de woning, doet hieraan niet af.
De oude woning heeft [A] en [B] volledig voor eigen gebruik ter beschikking gestaan vanaf het moment dat zij deze zijn gaan bewonen. Er is geen voorbehoud gemaakt met betrekking tot het gebruik van (een deel van) de oude woning. Ook is niet aannemelijk geworden dat [A] en [B] de woning hadden moeten verlaten zodra belanghebbende dat noodzakelijk achtte. Dit hoefde, zoals blijkt uit de brief van 2 december 2009, enkel indien de oude woning verkocht zou zijn. Uit de brief van 2 december 2009 blijkt bovendien dat er rekening mee werd gehouden dat [A] en [B] de oude woning nog zouden afnemen. Het Hof maakt hieruit op dat [A] en [B] met name in de oude woning verbleven met het oog op de mogelijke toekomstige eigendom en niet als kraakwachters. Dit betekent dat de oude woning niet leegstond in de zin van artikel 3.111 van de Wet IB en dat de oude woning geen eigen woning was in de zin van dat artikel.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99