Op 10 april 2015 heeft werknemer letsel opgelopen tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden voor [X] . De werkzaamheden bestonden die dag uit het gereedmaken van een woning te Amsterdam voor sloop. Werknemer is daarbij ten val gekomen en over de trap tussen de 2e en de 1e verdieping naar beneden gegleden. Niemand heeft het ongeval zien gebeuren. Collega’s troffen werknemer aan, liggend op de grond onderaan de trap.
Ten aanzien van de risico’s stelt werknemer dat de trap een gevaarlijke trap was omdat deze met vloerbedekking bekleed was, smalle en korte treden had en er een gevaarlijke bocht in zat. Een wezenlijk onderdeel van de trap ontbrak, te weten een deel van de leuning en de trap was beschadigd. Daarmee was de trap ongeschikt voor de intensieve manier waarop daarvan door werknemer gebruik gemaakt werd, namelijk het verrichten van zwaar werk onder moeilijke sloopomstandigheden. Volgens werknemer had [X] instructies moeten geven en voorzieningen moeten treffen zoals het aanleggen van een goederenlift
[X] stelt primair dat het aflopen van een trap in een woning een alledaagse activiteit is met een daaraan verbonden alledaags risico, waartoe de zorgplicht van de werkgever zich niet uitstrekt. Er waren geen andere bijzondere omstandigheden aan de orde op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het afdalen van de trap geen alledaagse activiteit was. Betwist wordt dat er sloopwerkzaamheden werden verricht, de werkzaamheden bestonden slechts uit het sloopklaar maken van het pand, en hielden in dat kleine losse objecten verwijderd moesten worden. Dit betrof geen zware of ongebruikelijke of zware objecten. De trap toonde geen gebreken, er ontbraken geen wezenlijke onderdelen en de trap was niet buitengewoon smal, glad of bochtig.
Ten aanzien van de gestelde schending van de zorgplicht overweegt het hof als volgt.
Het hof stelt voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 7:658 BW de werkgever de zorgplicht voor de veiligheid van de werkomgeving van de werknemer draagt. Het artikel houdt, voor zover hier van belang, in dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade die zijn werknemer bij de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden, tenzij hij aantoont dat hij zijn in artikel 7:685 lid 1 BW omschreven zorgplicht is nagekomen. Die zorgplicht verplicht de werkgever niet alleen om aanwijzingen te verstrekken om schade zoveel mogelijk te voorkomen, maar ook om daartoe de geëigende veiligheidsmaatregelen te treffen. De werkgever moet er daarbij rekening mee houden dat werknemers wel eens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is. Anderzijds wordt niet beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen. Welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever verlangd mogen worden hangt af van alle omstandigheden van het concrete geval. Voor de invulling van de zorgplicht wordt mede gekeken naar eventuele geschreven normen en naar het ongeschreven recht. Voor alledaagse risico’s hoeven in beginsel geen maatregelen te worden getroffen.
Werkgever heeft voldoende onderbouwd dat zij in algemene zin maatregelen heeft getroffen om het gevaar van vallen en struikelen op de werkvloer tegen te gaan.
Hetgeen werknemer heeft aangevoerd in het kader van zijn betwisting van de stellingen van werkgever kan niet de conclusie dragen dat werkgever meer of andere maatregelen had moeten treffen in de vorm van instructies of veiligheidsvoorzieningen, dan zij heeft gedaan.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99