Vraag:
Een spaarhypotheek bestaat uit een aflossingsvrije hypotheeklening en een spaardeposito waar de polishouder tegen de contractueel afgesproken rente op de aflossingsvrije hypotheeklening kan sparen om aan het einde van de looptijd de hypotheeklening af te lossen plus een risicoverzekering. Gezamenlijk vormen de aflossingsvrije hypotheeklening en het spaardeposito vanuit het perspectief van de polishouder/kredietnemer een annuïtair dalende hypotheeklening.
Antwoord:
Verzekeraars hebben spaarhypotheken in verschillende verschijningsvormen op hun balans staan. Een belangrijke factor hierbij is de rol van de kredietverstrekker als de verzekeraar niet zelf de aflossingsvrije hypotheeklening heeft verstrekt én de verzekeraar de spaarpremies doorstort naar de kredietverstrekker. Het contract tussen de kredietverstrekker en de verzekeraar bepaalt in belangrijke mate de risico’s voor de verzekeraar en daarmee ook de waardering en kapitaaleisen van spaarhypotheken.
Deze Q&A beschrijft hoe Solvency II verschillende verschijningsvormen van spaarhypotheken bij verzekeraars behandelt. De Q&A omschrijft eerst hoe de verzekeraar de spaarhypotheekverplichting (het spaardeposito) waardeert. Vervolgens beschrijft de Q&A hoe een verzekeraar de spaarhypotheek waardeert als de verzekeraar zelf de aflossingsvrije hypotheeklening verstrekt. Het laatste deel van de Q&A gaat in op de situatie waarin een kredietverstrekker de hypotheeklening heeft verstrekt en de verschillende varianten hierin. Deze Q&A gaat niet in op de behandeling van de vaak aan de spaarhypotheek verbonden risicoverzekering. Deze Q&A gaat ook niet in op de gevolgen van spaarhypotheken voor de afwikkelbaarheid van verzekeraars, dit beoordeelt DNB in haar resolutieplannen.
Download: "Concept QA Behandeling spaarhypotheken onder Solvency II" (Word, 11 pagina's)
Bron: DNB
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99