Ingevolge artikel 1:94 lid 2 BW geldt als uitgangspunt dat de goederen die [gedaagde] uit de nalatenschap van zijn vader heeft verkregen in de (thans ontbonden) huwelijksgoederengemeenschap van partijen vallen. Volgens de rechtbank valt het aandeel van [gedaagde] in die nalatenschap qua peildatum wel degelijk in de te verdelen gemeenschap.
De hoogte van de waarde van het aandeel van de man in die nalatenschap staat niet, althans onvoldoende, vast, nu [eiser] slechts een niet onderbouwde schatting heeft gegeven en [gedaagde] het daaraan gekoppelde bedrag gemotiveerd heeft betwist.
Ook een vordering waarvan de omvang (nog) niet vaststaat, is echter een vermogensrecht in de zin van artikel 3:6 BW, en dus een goed als bedoeld in artikel 1:94 lid 2 BW. Een dergelijke vordering komt derhalve in aanmerking voor verdeling. De omstandigheid dat de vordering zowel op de peildatum als thans niet opeisbaar is, staat ook niet in de weg aan de verdeling daarvan, zij het dat beide partijen jegens de weduwe van de vader van [gedaagde] de voorwaarden voor opeisbaarheid ervan dienen te respecteren.
Voor ligt echter enkel de vordering van [eiser] tot toedeling van de vordering aan [gedaagde] , bepaling van de waarde op € 5.000,00 en voldoening aan [eiser] van de helft daarvan. Die wijze van verdeling is gelet op het voorgaande niet toewijsbaar. De rechtbank acht toedeling van de vordering aan [gedaagde] , onder de verplichting om de helft van de waarde daarvan te voldoen aan [eiser] , de meest gerede wijze van verdeling. Daarbij moet evenwel rekening worden gehouden met het feit dat aan de thans nog niet opeisbare vordering een incassorisico is verbonden. De rechtbank zal daarom bepalen dat [gedaagde] slechts gehouden is de helft van hetgeen hij te zijner tijd daadwerkelijk op deze vordering weet te innen aan [eiser] uit te keren. Daarbij overweegt de rechtbank dat [gedaagde] door [eiser] niet kan worden gehouden om voor het opeisbaar worden van de vordering tot inning daarvan over te gaan.
Deelt de vordering op de weduwe van de vader van [gedaagde] toe aan [gedaagde] en veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de helft van hetgeen hij t.z.t. op deze vordering zal weten te innen. (De weduwe is immers nog in leven.)
Bron: Rechtspraak
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99