Belastingplichtige (huiseigenaar) heeft de woning in 2017 zowel volledig als gedeeltelijk verhuurd via Airbnb. De huurinkomsten in de zin van artikel 3.113 van de Wet IB 2001 bedroegen in totaal € 7.001. Hiervan heeft € 1.723 betrekking op de verhuur van de gehele woning en € 5.278 op de verhuur van een gedeelte van de woning.
De rechtbank concludeert dat de bewoordingen van artikel 3.113 Wet IB 2001 en de systematiek van de eigenwoningregeling in de Wet IB 2001 leiden tot het oordeel dat inkomsten uit de tijdelijke verhuur van een gedeelte van de eigen woning niet belast kunnen worden op grond van artikel 3.113 Wet IB 2001. Gelet hierop dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Ingevolge artikel 3.113 van de Wet IB 2001 wordt met betrekking tot de eigen woning die tijdelijk ter beschikking is gesteld aan derden het ingevolge artikel 3.112 als voordelen uit eigen woning in aanmerking te nemen bedrag vermeerderd met 70 percent van de voordelen ter zake van het ter beschikking stellen.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1448, als volgt geoordeeld:
“2.4.1 In artikel 3.111, lid 1, Wet IB 2001 is – voor zover van belang – bepaald dat onder eigen woning wordt verstaan een gebouw, met de daartoe behorende aanhorigheden, voorzover dat de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. In deze zaak is niet in geschil dat het tuinhuis een aanhorigheid is bij de woning. Dat behoort dus tot de eigen woning als bedoeld in deze bepaling.
...
Zowel artikel 3.113 Wet IB 2001 als artikel 3.111, lid 7, Wet IB 2001 betreft volgens de tekst expliciet en uitsluitend de gevolgen van het tijdelijk ter beschikking stellen van de eigen woning aan derden. De bewoordingen van beide bepalingen en de toelichtingen daarop in de parlementaire geschiedenis komen grotendeels overeen. Op grond van een en ander moet worden aangenomen dat de wetgever heeft beoogd dat zij beide zoveel mogelijk in dezelfde gevallen van toepassing zijn.
..."
Gelet op dit inmiddels gewezen arrest van de Hoge Raad kan de uitspraak van de rechtbank niet in stand blijven. Uit het arrest volgt immers dat ook de verhuur door belanghebbende van een gedeelte van de eigen woning onder de reikwijdte van artikel 3.113 van de Wet IB 2001 valt. Bij die stand van zaken is niet in geschil dat de inspecteur de aanslag op het juiste bedrag heeft vastgesteld.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99