De cijfers met betrekking tot de ozb van VEH lopen vooruit op de jaarlijkse rapportage van het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO). Het COELO brengt in de jaarlijkse atlas van de lokale lasten de ontwikkeling van de lokale lasten uitgesplitst per categorie voor alle gemeenten van Nederland in beeld. De atlas verschijnt naar verwachting in maart. De cijfers van de VEH zijn een steekproef onder een aantal gemeenten, en geven dus nog geen volledig beeld. Het is dan ook nog te vroeg voor een landelijke analyse en duiding. Zodra het totale beeld bekend is, kan de ontwikkeling van de ozb bezien worden in de context van de ontwikkeling van de totale lokale woonlasten. Deze context is essentieel, omdat bijvoorbeeld de keuze voor de verhoging van één specifieke heffing gecompenseerd kan worden door een verlaging of minder hoge stijging van een andere heffing. Bovendien dient ook gekeken te worden naar de ontwikkeling van de woonlasten van een gemeente over de tijd. Sommige gemeenten hebben namelijk nog relatief lage lokale woonlasten. Tot slot, het is aan de gemeenteraden om de hoogte van de lokale woonlasten vast te stellen. Deze besluitvorming komt op gemeentelijk niveau tot stand met inachtneming van de lokale wensen en opgaven. De gemeenteraden leggen over de hoogte verantwoording af in het democratische proces.
Deelt u de mening dat het instellen van een hard maximum aan de stijging van de lokale belastingen een goed instrument kan zijn om ervoor te zorgen dat de lokale lasten niet explosief kunnen stijgen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord op vraag 6:
Ik ben van mening dat de afweging hoe de lokale wensen en opgaven te realiseren het beste op lokaal niveau genomen kan worden. Dit is dan ook aan de gemeenteraden. Voor de volledigheid breng ik nog onder uw aandacht dat na de afschaffing van de heffing van het gebruikersdeel onroerendezaak-belasting woningen in 2006 een maximering van de ozb (micronorm) in de gemeentewet is opgenomen. Met ingang van 2008 is deze maximering uit de gemeentewet geschrapt met de motivering dat de maximering geen recht doet aan de zelfstandigheid en de vrije beleidsruimte van de gemeenten.
De afvalstoffenbelasting wordt geheven op zowel storten als verbranden van afval. Over gerecyclede afvalstromen wordt geen belasting geheven. Het klopt dat veel gemeenten aan bronscheiding doen.
Bronscheiding leidt in principe tot meer hoogwaardige stromen voor recycling dan nascheiding. Bij nascheiding is het vooral de vervuiling die optreedt door vermenging met biogeen afval die ertoe leidt dat grondstofstromen niet of nauwelijks meer bruikbaar zijn. Er vindt met name nascheiding plaats voor verpakkingen (plastics, metalen en drankenkartons). Door nascheiding wordt doorgaans slechts ongeveer 15% uit het afval gefilterd. Daarom is bronscheiding de standaard en daar kan slechts in specifieke gevallen van worden afgeweken. Bronscheiding leidt tot minder reststromen die verbrand moeten worden, daarmee worden ook de kosten van verbranden (inclusief de hogere afvalstoffenbelasting) vermeden.
Met de afvalstoffenheffing kunnen gemeenten inderdaad alleen de inzameling en verwerking van het huishoudelijk afval bekostigen. Zij kunnen daarmee dus niet algemene ambities op het gebied van circulaire economie of duurzaamheid financieren. De basis voor de heffing ligt in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. De heffing mag niet meer dan kostendekkend zijn. Gemeenten zijn niet verplicht de volledige kosten van de afvalinzameling en -verwerking te dekken vanuit de afvalstoffen-heffing, zij kunnen een deel van de kosten voor de inzameling en verwerking ook vanuit andere geldstromen dekken. Doorgaans leiden inspanningen om afval beter te scheiden en de kwaliteit van recyclestromen te verbeteren tot lagere kosten voor gemeenten.
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99