Kopers hebben onvoldoende aan kunnen tonen dat de aanvraag op basis van 2 inkomens is afgewezen. De geldverstrekker had naar aanleiding van een eerdere melding inzake de relatiebreuk de aanvraag op basis van 1 inkomen beoordeeld en afgewezen.
Vervolgens doet zich de vraag voor of, nu de afwijzing niet was gebaseerd op het gezamenlijk inkomen, door aspirant kopers voldaan is aan de op hen rustende inspanningsverplichting in het licht van artikel 15 lid 3 van de koopovereenkomst. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Nu [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gezamenlijk de koopovereenkomst zijn aangegaan, rust op hen beiden de verplichting al het redelijk mogelijke te doen teneinde de benodigde financiering te verkrijgen. Door niet beide inkomens ten grondslag te leggen aan de financieringsaanvraag, hebben zij dat nagelaten.
De rechter oordeelt dat onvoldoende is onderbouwd dat zij hebben voldaan aan de op hen rustende inspanningsverplichting.
Aspirant kopers hebben ter zitting nog aangevoerd dat, vanwege hun relatiebreuk, niet van hen kon worden verlangd dat zij de koopovereenkomst zouden doorzetten. Ook is gesteld – zo begrijpt de rechtbank – dat geldverstrekker A geweigerd heeft om de financiering te verstrekken omdat dit in strijd zou zijn met de zorgplicht: voor de bank was immers duidelijk dat aspirant kopers niet beide in de woning zouden gaan wonen dan wel dat zij de woning direct zouden door verkopen. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Op aspirant kopers rust de inspanningsverplichting om de benodigde financiering, zo nodig gezamenlijk, te verkrijgen omdat zij gezamenlijk de koopovereenkomst zijn aangegaan.
Gesteld noch gebleken is dat het hebben van een affectieve relatie een vereiste is om op beide inkomens een hypotheek te verkrijgen. Dat aspirant kopers vanwege hun relatiebreuk niet langer samen een hypotheek wilden aangaan mag zo zijn en is ook begrijpelijk, maar dient voor rekening en risico van aspirant kopers te komen. Deze omstandigheid ligt immers geheel buiten de invloedsfeer van verkoper.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat aspirant kopers geen rechtsgeldig beroep hebben gedaan op het financieringsvoorbehoud.
De rechtbank stelt voorop dat voor matiging van een bedongen boete slechts plaats is indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist (artikel 6:94 Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Dit betekent dat matiging alleen aan de orde is, als toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat zou leiden. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding van de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen.
De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding tot matiging van de boete. Verkopers hebben zich niet concreet uitgelaten over de schade die zij zouden hebben geleden. Ter zitting is gebleken dat verkopers de woning in juni 2020 hebben verkocht. Tussen de leveringsdatum zoals afgesproken met kopers, 30 april 2020, en de verkoop althans levering aan de uiteindelijke kopers, juni 2020 – zoals niet betwist door verkopers – zat derhalve een relatief korte tijd.
Dat verkopers enige schade hebben geleden staat naar het oordeel van de rechtbank vast, maar een boete van € 25.300,00 is in verhouding buitensporig hoog. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een boete is bedoeld om schade te fixeren en/of om schuldenaren aan te sporen tot nakoming. De billijkheid eist dan ook een matiging, naar het oordeel van de rechtbank tot een bedrag van € 5.500,00, waarbij wordt aangenomen dat de feitelijke schade een lager bedrag betreft. Dat kopers geen rechtsgeldig beroep hebben gedaan op het financieringsvoorbehoud, maakt het voorgaande niet anders.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99