Partijen hebben een samenlevingsovereenkomst gesloten bij notariële akte van 2 juni 2000. Deze akte bevat de volgende bepaling:
“Artikel 10
Ingeval de overeenkomst eindigt anders dan door overlijden van één van de partijen, heeft ieder van de partijen het recht zich tot de kantonrechter te wenden met het verzoek uit te spreken dat hij of zij – met uitsluiting van de andere partij – nog zes maanden mag blijven wonen in de laatstelijk door beiden bewoonde woning. De kantonrechter zal daarbij afwegen de belangen die partijen hebben om in de woning te blijven en de mogelijkheid andere woonruimte te vinden.”
In geschil is wanneer hiertoe moet worden overgegaan. [eiser] wenst dat op korte termijn tot verkoop wordt overgegaan. [gedaagde] is van mening dat verkoop van de woning binnen afzienbare tijd redelijkerwijs niet tot de mogelijkheden behoort.
De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt is dat niemand kan worden verplicht om in onverdeeldheid te blijven. Dat wil zeggen dat als iemand vraagt om een gezamenlijk goed te verdelen, de rechter dit ook zal moeten doen. Alleen in bijzondere gevallen kan worden bepaald dat er nog niet verdeeld hoeft te worden. Dat is namelijk alleen als de belangen van degene die niet tot verdeling wil overgaan aanmerkelijk groter zijn dan de belangen van degene die wel wil verdelen. Dit volgt uit artikel 3:178 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek.
Aangaande de eventuele verkoop van de woning hebben [eiser] en [gedaagde] tegengestelde belangen en het is aan de rechtbank om deze belangen af te wegen en hierover een beslissing te nemen.
Onder de gegeven omstandigheden acht de rechtbank het belang van [gedaagde] bij voortgezet verblijf in de gezamenlijke woning aanmerkelijk groter dan het belang van [eiser] bij de verkoop daarvan. [gedaagde] beschikt op dit moment niet over vervangende woonruimte. Zolang daar geen verandering in komt, zal zij bij verkoop van de woning samen met de kinderen op straat komen te staan.
Voorts is gebleken dat [gedaagde] geen reële mogelijkheden heeft om binnen afzienbare termijn vervangende woonruimte te verkrijgen. Zij komt niet in aanmerking voor een hypothecaire lening om de huidige of een andere passende koopwoning te verkrijgen en is dus afhankelijk van de (sociale) huursector. Niet kan worden gezegd dat [gedaagde] zich onvoldoende heeft ingespannen om vervangende woonruimte te vinden. Zo heeft zij zich medio december 2018 (en dus kort na het feitelijk uiteengaan van partijen) ingeschreven bij de woningbouwvereniging en staat zij ook ingeschreven bij diverse woonsites. Zij wordt door de woningbouwvereniging niet als urgent woningzoekende aangemerkt, waardoor de verwachting dat zij binnen afzienbare tijd in aanmerking komt voor een passende huurwoning, niet realistisch is. Dat in de huidige periode het aanbod van woonruimte schaars is en de vraag ernaar hoog, is een feit van algemene bekendheid.
[eiser] heeft ter zitting verklaard dat hij had begrepen dat een in een vonnis aan [gedaagde] gegeven bevel om mee te werken aan de verkoop van de woning, er toe zal leiden dat zij door de woningbouwvereniging als urgent woningzoekende zal worden aangemerkt, wat de kansen op verkrijgen van een passende woning aanmerkelijk zal vergroten. Met dit doel heeft [eiser] de vordering ingesteld, aldus [eiser] ter zitting.
Van de zijde van [gedaagde] is betwist dat, na toewijzend vonnis, [gedaagde] als urgent woningzoekende zal worden aangemerkt. Hiertoe is aangevoerd dat voorheen in vergelijkbare gevallen een toewijzend vonnis inderdaad heeft geleid tot het afgeven van een urgentieverklaring, maar dat deze handelwijze al enkele jaren niet meer wordt toegepast. [eiser] heeft hierop ter zitting niet meer inhoudelijk gereageerd, zodat de rechtbank van de juistheid van die stelling uitgaat..
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het belang van [gedaagde] bij voortgezet verblijf in de gezamenlijke woning aanmerkelijk groter acht dan de belangen van [eiser] bij de verkoop daarvan. Doorzetting van de wens tot verkoop van de woning, zal leiden tot het ontstaan van een noodsituatie bij [gedaagde] . Mede in het licht van de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 3:166 lid 3 BW), moet [eiser] vooralsnog afzien van zijn wens tot verkoop van de woning.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99