Bij de uitwerking van een verplichte verzekering houdt het kabinet drie doelen voor ogen, die ook hun weerslag hebben gevonden in het Stichtingsadvies. Het is wenselijk dat de verzekering solidariteit organiseert tussen zelfstandigen, keuzevrijheid biedt om recht te doen aan de heterogeniteit van de populatie zelfstandigen en daarnaast uitlegbaar en uitvoerbaar is.
De gesprekken met UWV en de Belastingdienst leiden tot de volgende tussenstand: naast het Stichtingsadvies schetst de impactanalyse van de Belastingdienst twee andere mogelijkheden, die elk hun eigen problematiek met zich meebrengen.
Ten eerste is dat een voorziening tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico voor zelfstandigen. Bij deze voorziening staat geen premie tegenover een uitkering bij arbeidsongeschiktheid. Deze mogelijkheid past niet in het kader dat is meegegeven in het Pensioenakkoord en werk ik zodoende niet verder uit.
Ten tweede is dat een eenvoudige verzekering voor ondernemers. Hierbij wordt uitgegaan van een verzekering voor iedereen die winst uit onderneming geniet, zonder dat daar uitzonderingen op worden gemaakt of keuzemogelijkheden worden gegeven. Hierbij wordt uitgegaan van een uniform premiepercentage. Daarom wordt uitgegaan van een aan de WIA gelijke, uniforme wachttijd voordat men recht krijgt op een uitkering, waarbij het publieke premiepercentage voor elke zelfstandige gelijk is. Deze tweede variant heb ik gekozen als kansrijk startpunt om van daaruit zoveel mogelijk toe te werken naar een variant die recht doet aan het voorstel van de Stichting.
Het startpunt komt voor een deel overeen met het voorstel van de Stichting. De kring van verzekerden is de groep winstgenieters, wat aansluit bij een reeds bestaande, in de fiscaliteit afgebakende groep. Een dergelijke afbakening is daarmee een voordeel in de uitvoering. De groep winstgenieters is in absolute zin de grootste groep binnen de door de Stichting gewenste kring van verzekerden. Op belangrijke punten is er verschil tussen het gekozen startpunt en de door de Stichting voorgestelde afbakening van de kring van verzekerden. Zo maken de mensen die resultaat uit overige werkzaamheden genieten nog geen onderdeel uit van de kring van verzekerden. Aan de andere kant zijn zelfstandigen met personeel wel onderdeel van de kring van verzekerden, terwijl deze groep is uitgezonderd in het Stichtingsadvies.
Samen met de beoogde uitvoerders en sociale partners heb ik onderzocht hoe aan de uitkering en claimbeoordeling in de publieke verzekering vorm kan worden gegeven. We zijn reeds goed op weg. De gehanteerde leidraad is om – conform het advies van de Stichting – zoveel mogelijk uit te gaan van de WIA. Wanneer de WIA geen soelaas biedt (omdat de WIA een werknemersverzekering is en dus niet uitgaat van de bijzondere positie van de zelfstandige), is aansluiting gezocht bij de voorheen geldende Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).
De vormgeving van de uitkering voor zelfstandigen kan er als volgt uitzien: na ziekmelding van de verzekerde stelt het UWV de eerste ziektedag vast, verricht de claimbeoordeling, bepaalt daarbij het recht op en de hoogte van de uitkering en verstrekt deze aan de publiek verzekerde zelfstandige. Het recht op uitkering kan ontstaan vanaf het 18e jaar en loopt door tot maximaal de AOW-gerechtigde leeftijd.
De hoogte van de publieke uitkering is in principe gebaseerd op het inkomen dat de betrokkene als zelfstandige verdiende in het kalenderjaar voorafgaand aan zijn eerste ziektedag (het refertejaar). De uitkering is gemaximeerd op 100% van het wettelijk minimumloon (WML). Voor de vaststelling van het antwoord op de vraag welke (inkomens)bestanddelen tot het inkomen worden gerekend, wordt uitgegaan van dezelfde uitkeringsgrondslag als in de WAZ, de definities in het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten en de fiscale begrippen.
Mocht dat gunstiger zijn, dan is niet het inkomen in het refertejaar, maar het gemiddelde inkomen van de vijf jaar voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid bepalend voor de hoogte van de uitkeringsgrondslag. Deze middelingsregeling heeft als doel het fluctuerende inkomen van zelfstandigen op te vangen. Hierdoor is de uitkering minder afhankelijk van één slecht jaar.
Bij de nadere uitwerking van de (middelings)regeling zal nog aandacht worden besteed aan het tijdsverloop rondom de definitieve inkomensvaststelling door de Belastingdienst. Omdat het om boekjaren (kalenderjaren) gaat, vindt de definitieve vaststelling van het inkomen door de Belastingdienst namelijk pas achteraf plaats. Dit betekent dat op het moment van vaststelling van de uitkering de inkomensgegevens nog niet bekend zijn bij de Belastingdienst en mogelijk (deels) nog beïnvloedbaar zijn door de rechthebbende via de belastingaangifte over het voorgaande jaar.
Starters
In haar advies adviseert de Stichting dat voor de recent gestarte zelfstandige gekeken wordt naar het inkomen dat deze zelfstandige heeft verdiend in de periode tussen de start van de onderneming en het intreden van de arbeidsongeschiktheid (startersregeling). Het gaat dan om een zelfstandige die nog niet het gehele refertejaar als zelfstandige heeft gewerkt en die nog geen belastingaangifte heeft gedaan. Evenals bij de middelingsregeling zal het bij de nadere uitwerking van een dergelijke startersregeling een aandachtspunt zijn hoe de inkomensgegevens verstrekt kunnen worden, wanneer er nog geen belastingaangifte is gedaan. Dit brengt potentieel misbruikrisico’s met zich mee. Ook de vraag van welke referteperiode uitgegaan moet worden, zal nader worden uitgewerkt.
Voor de vaststelling van het recht op uitkering zal uitgegaan worden van hetzelfde arbeidsongeschiktheidscriterium als in de WIA, conform het advies van de Stichting. Dit betekent dat de betrokkene na de wachttijd ten minste 35% arbeidsongeschikt moet zijn en dat de mate van arbeidsongeschiktheid wordt gebaseerd op het inkomensverschil tussen wat iemand voorheen verdiende als zelfstandige (het maatmaninkomen) en hetgeen hij na het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid nog kan verdienen met het verrichten van gangbare arbeid (resterende verdiencapaciteit).
Het uitgangspunt is om het maatmaninkomen vast te stellen op basis van de inkomsten als zelfstandige in de voorliggende jaren. Vanwege de wisselende inkomsten van een zelfstandige ligt het in de rede om het maatmaninkomen vast te stellen op basis van het gemiddelde van de drie jaren voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Vaststelling van het maatmaninkomen heeft alleen betrekking op het inkomen als zelfstandige (net als in de WAZ) en heeft geen betrekking op het inkomen dat de betrokkene daarnaast eventueel nog verdient in loondienst.
Om de mate van arbeidsongeschiktheid en de resterende verdiencapaciteit vast te kunnen stellen, gaat de Stichting ervan uit dat – net als in de WIA – hiervoor het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (hierna: CBBS) gebruikt kan worden. In dit systeem zitten bestaande banen in loondienst, maar geen werkzaamheden als zelfstandige. Hoewel de zelfstandige niet in loondienst werkt, kan het CBBS wel goed gebruikt worden. Het gaat namelijk om een theoretische schatting van wat iemand nog kan verdienen in gangbare arbeid, rekening houdend met iemands mogelijkheden in arbeid. Het CBBS wordt daarbij gebruikt om het inkomensverlies te berekenen. Dit inkomensverlies is ook hetgeen verzekerd is. Voor de zelfstandigen die nu vrijwillig verzekerd zijn bij UWV en destijds verzekerd waren voor de WAZ wordt respectievelijk werd eveneens het CBBS gebruikt.
In het voorstel van de Stichting kunnen zelfstandigen zelf kiezen of ze zich bovenop de standaardverzekering aanvullend willen verzekeren. De Stichting ziet als mogelijkheid een Onderling Waarborgfonds om te borgen dat iedere zelfstandige zich aanvullend aan de publieke basisverzekering, op betaalbare wijze, privaat kan verzekeren. Het uitwerken van deze mogelijkheid moet nog worden opgepakt.
Hoewel uiteindelijke keuzes over een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen aan een volgend kabinet zijn, blijven wij ook de komende periode met onverminderd commitment gezamenlijk aan deze uitdagingen werken, om zo een arbeidsongeschiktheidsverzekering te creëren die recht doet aan het advies van de Stichting. En zo te voldoen aan een belangrijke afspraak uit het Pensioenakkoord.
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99