De aanleiding voor de analyse is gelegen in de invoering van de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) per 1 januari 2020. Sinds deze datum zijn alle uitzendbedrijven, die toen nog buiten de uitzendsector waren ingedeeld, ingedeeld in de sector Uitzendbedrijven (sector 52) met veelal een premiestijging tot gevolg. Hierbij rees de vraag welke gedragsreactie uitzendbedrijven hierop zouden laten zien. Daarom heeft UWV een analyse gedaan naar de bewegingen van uitzendbedrijven op de hybride ZW-markt.
In de regel hebben uitzendbedrijven veel hogere ZW-lasten dan andere werkgevers. Dit komt doordat uitzendbedrijven vaker dan reguliere werkgevers gebruik maken van tijdelijke contracten waardoor werknemers bij ziekte, direct of na enige tijd, in aanmerking komen voor een ZW-uitkering. Andere werkgevers gebruiken veelal juist vaste contracten waar bij ziekte een periode van loondoorbetaling geldt en in de regel geen recht op een ZW-uitkering ontstaat. Hoe hoger het risico op instroom in de ZW, des te hoger de ZW-premies zijn. Aangezien dit risico bij uitzendbedrijven hoog is vanwege de gebruikelijke contractvorm, ontstaat voor hen de prikkel om op zoek te gaan naar andere mogelijkheden om de premies te verlagen. Omdat de ZW-lasten door alle werkgevers samen worden gedragen, leidt een te lage premie voor uitzendbedrijven tot een hogere premie voor andere werkgevers.
Zo hoeft een werkgever die eigenrisicodrager wordt de nog lopende uitkeringen in het publieke stelsel (de zogenaamde staartlasten) niet zelf af te financieren. Deze staartlasten worden door het collectief van publiek verzekerde werkgevers betaald. In het eigenrisicodragerschap zijn staartlasten namelijk al gefinancierd op het moment dat de werkgever de overstap zou maken naar de publieke verzekering. Een eigenrisicodrager of zijn verzekeraar heeft hier reeds voorzieningen voor getroffen.
Omgekeerd geldt dat een eigenrisicodrager die voor de publieke verzekering kiest, in de eerste twee jaar een terugkeerpremie betaalt. Deze terugkeerpremie is op 1 januari 2015 gaan gelden en bedraagt (in de meeste gevallen) de halve sectorale premie. Voor die tijd gold dat werkgevers (in de meeste gevallen) een minimumpremie betaalden op het moment dat zij na een periode van eigenrisicodragerschap weer kozen voor de publieke verzekering.
De halve sectorale premie is echter onvoldoende om de staartlasten te financieren van werkgevers die na een periode van publieke verzekering kiezen voor het eigenrisicodragerschap. Terwijl eigenrisicodragers direct vanaf het eerste jaar een private premie betalen waaruit ook de staartlasten gefinancierd zouden moeten worden, of zij dragen de lasten zelf en moeten dan gelijk vanaf het eerste jaar voorzieningen treffen om staartlasten te financieren. Hierdoor bestaat er alsnog een bepaalde mate van ongelijkheid op het speelveld door de terugkeerpremie. Bovendien is de halve sectorale premie niet voldoende om de staartlasten af te financieren en daardoor ontstaat een ‘financieringsgat’. Het collectief van publiek verzekerde werkgevers draagt daardoor het restant van deze lasten. Dit vind ik onwenselijk, omdat een werkgever die steeds wisselt tussen het eigenrisicodragerschap en de publieke verzekering zo onvoldoende premie betaalt om zijn ZW-lasten te dekken.
Om het speelveld bij de start van het eigenrisicodragerschap en de publieke verzekering gelijker te maken, bereid ik een aanpassing voor van het Besluit Wfsv om de terugkeerpremie per 1 januari 2023 te verhogen naar de volledige sectorale premie. Een dergelijke verhoging betekent dat werkgevers die terugkeren naar UWV een hogere, maar meer risico dekkende premie gaan betalen. De staartlasten die door de publieke verzekering gedekt moeten worden als een werkgever eigenrisicodrager wordt, worden dan voor een groter deel gefinancierd uit de opbrengsten van de terugkeerpremie. Het collectief van publiek verzekerde werkgevers voor de ZW gaat hiermee een iets lagere premie betalen. Op macroniveau blijven werkgevers dezelfde premie betalen.
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99