Op grond van artikel 6:217 lid 1 BW komt een overeenkomst tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. De aanvaarding moet inhoudelijk overeenstemmen met het gedane aanbod. Of hiervan sprake is, hangt af van wat partijen hebben verklaard en uit elkaars gedragingen en verklaringen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid. Hierbij moeten de verbintenissen die partijen op zich nemen voldoende bepaalbaar zijn. Dit betekent dat tussen partijen ten minste overeenstemming moet bestaan over de essentialia van de overeenkomst.
Op de vrouw rust de stelplicht en eventuele bewijslast dat tussen haar en de man een overeenkomst is over de verdeling van de verkoopopbrengst van de woning.
Vaststaat dat partijen bij herhaling gecommuniceerd hebben over de verdeling van een eventuele overwaarde bij verkoop van de woning aan een derde. Zo heeft de man verschillende e-mails bericht dat de vrouw in dat geval zou meedelen in de eventuele overwaarde. In de e-mail van 16 mei 2013 heeft de man aan de vrouw geschreven: “Verder zal als de woning ooit verkocht gaat worden boven de € 265.000,- [naam vrouw] de helft ontvangen van het verkoop bedrag boven de € 265.000,- ”. In de e-mail van 29 juli 2013 heeft de man aan (onder meer) de vrouw bericht: “er [moet] nog iets in komen te staan over de gemaakt afspraken welke ik met [voornaam vrouw] heb gemaakt (…) Regeling bij verkoop van het huis bij een verkoop bedrag hoger dan € 265.000,- ”. Bij e-mail van 21 december 2013 heeft de man aan de vrouw een Excelsheet verzonden waarin onder meer stond vermeld: Verder zal als de woning ooit verkocht gaat worden boven de € 260.000,- [naam vrouw] de helft ontvangen van het netto verkoop bedrag na aftrek van kosten boven de € 260.000,-”.
Uit deze correspondentie maakt de rechtbank op dat de man de vrouw een aanbod heeft gedaan over de verdeling van de overwaarde bij verkoop aan een derde.
De man voert ook nog aan dat partijen de afspraak over de verdeling van de eventuele overwaarde van de woning zouden opnemen in een document, dit is echter nooit gedaan en de vrouw heeft hier ook nooit om verzocht. Voor zover de man meent dat hieruit volgt dat tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen, dan wel dat de vrouw afstand heeft gedaan van deze afspraak, verwerpt de rechtbank dit verweer. Vast staat dat uit de correspondentie van partijen blijkt dat het de bedoeling was om de afspraak op schrift te stellen. Dat dit niet is gebeurd en dat zowel de man als de vrouw hier niet meer op terug zijn gekomen, maakt echter niet dat de afspraak niet tot stand is gekomen of is komen te vervallen. Aanvullende feiten en omstandigheden die wel tot dit oordeel zouden kunnen leiden, zijn door de man niet aangevoerd.
De man stelt zich op het standpunt dat zijn uitgaven ten behoeve van de woning tot een meerwaarde hebben geleid boven € 260.000,-. Hij heeft investeringen gedaan in de woning, onder meer door het installeren van een nieuwe cv-ketel en een nieuwe keuken.
De vrouw is van mening dat partijen een ongeclausuleerd meerwaardebeding overeen zijn gekomen en dat een grondslag voor het standpunt van de man ontbreekt. Daarbij is de man reeds gecompenseerd voor zijn uitgaven ten behoeve van de woning omdat de woning destijds voor een waarde van € 250.000,- aan hem is toebedeeld en de meerwaardebepaling geldt vanaf € 260.000,-. Verder betwist de vrouw dat er rekening dient te worden gehouden met de gestelde uitgaven van de man voor de woning, nu de gestelde investeringen niet geresulteerd hebben in een waardevermeerdering.
Het verweer van de man dient te worden gekwalificeerd als een verrekeningsverweer. Ingevolge artikel 6:136 BW geldt dat een rechter een vordering, ondanks een beroep op verrekening kan toewijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is. Partijen twisten over de vraag of er een grondslag is voor het beroep op verrekening, ook twisten partijen over de vraag of de investeringen van de man tot een waardevermeerdering van de woning hebben geleid. Deze laatste vraag kan slechts na nader onderzoek (door een deskundige) worden beantwoord. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de gegrondheid van het verrekeningsverweer niet eenvoudig is vast te stellen. Het verweer wordt daarom gepasseerd.
De vrouw wordt in het gelijk gesteld en de man moet een bedrag van € 35.675 betalen.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99