De woning is eigendom van de vrouw. De relatie van partijen is in 2019 geëindigd. De man heeft eind 2019 de woning verlaten en is elders gaan wonen. De vrouw is in de woning blijven wonen. De man is (nog) hoofdelijk aansprakelijk.
De man heeft inmiddels een nieuwe partner en is voornemens om met haar een woning aan te kopen. De hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld van de woning van de vrouw belemmert de man bij het verkrijgen van een financiering voor de aankoop van een woning.
De eerste vordering van de man strekt ertoe dat de vrouw wordt veroordeeld om ervoor te zorgen dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening die betrekking heeft op de woning van de vrouw. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende aannemelijk geworden dat een rechtsgrond bestaat voor een dergelijke veroordeling. Uitgangspunt is dat partijen het einde van hun samenwoning dienen af te wikkelen conform de afspraken in de samenlevingsovereenkomst. In de samenlevingsovereenkomst staat nergens dat de vrouw verplicht is om in een situatie als deze zorg te dragen voor het ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. In artikel 10 lid 2 sub b van de samenlevingsovereenkomst is weliswaar de verplichting opgenomen voor degene die in de woning blijft wonen om de financiering van de woning volledig over te nemen, maar dat geldt voor de situatie dat de woning gemeenschappelijk eigendom is en aan één van partijen wordt toebedeeld. Daarvan is hier geen sprake. De woning is namelijk volledig eigendom van de vrouw en hoeft dus niet verdeeld te worden.
De voorzieningenrechter ziet geen reden om in dit geval artikel 10 lid 2 sub b van de samenlevingsovereenkomst – al dan niet met toepassing van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid zoals bedoeld in artikel 6:248 BW - analoog toe te passen, zoals de man betoogt en daarin een dergelijk verplichting voor de vrouw te lezen omdat zij in de woning blijft wonen. Er is immers sprake van een wezenlijk andere situatie. Het enkele feit dat de vrouw eigenaar is van de woning betekent niet dat zij ervoor moet zorgen dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. De man heeft zich daar destijds bewust toe verbonden in de wetenschap dat de woning volledig eigendom is van de vrouw, althans dat had hij kunnen weten.
Afweging van de wederzijdse belangen leidt niet tot een ander oordeel. Het belang van de vrouw om de woning te kunnen behouden weegt zwaarder dan het belang van de man om te worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. Conclusie is dat ook de tweede vordering van de man zal worden afgewezen.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99