De relatie tussen [A.] en [eiseres] is in januari 2010 beëindigd, waarna [eiseres] de woning verlaten heeft.
Dat [eiseres] is vertrokken uit de woning en zij met [A.] wellicht afspraken heeft gemaakt over het volledig dragen door [A.] van de verplichtingen uit hoofde van de geldleningsovereenkomst, doet hier niets aan af. Deze afspraken gelden alleen in hun onderlinge verhouding en niet tegenover geldverstrekker.
[eiseres] verwijt geldverstrekker dat zij niet tijdig is geïnformeerd over de ontstane betalingsachterstand, terwijl geldverstrekker wist dat zij niet meer in de woning woonde en [A.] alle op grond van de geldleningsovereenkomst aan geldverstrekker verschuldigde betalingen deed. Uit de op de mondelinge behandeling afgelegde verklaringen blijkt dat de betalingsachterstand al in de loop van 2017 is ontstaan, terwijl geldverstrekker [eiseres] pas bij brief van 14 februari 2018 heeft geïnformeerd.
Geldverstrekker heeft verklaard dat zij in februari 2018 elf voorgaande betalingen van [A.] heeft moeten storneren, omdat geconstateerd was dat door de afschrijving van de hypotheeklasten op de betaalrekening van [A.] een ongeoorloofde debetstand was ontstaan. Met [eiseres] is de rechtbank van oordeel dat de betalingsachterstand daarmee laat is gemeld aan [eiseres], maar de rechtbank verbindt daar niet de vergaande consequentie aan dat geldverstrekker daardoor geen rechten meer aan de geldleningsovereenkomst kan ontlenen. Er is namelijk onvoldoende gebleken dat de huidige situatie was voorkomen als [eiseres] al in 2017 wist van de betalingsachterstand. De rechtbank legt dit uit.
Als [eiseres] in 2017 op de hoogte was gebracht van de betalingsachterstand, dan had een (onderhandse) verkoop ook tot een restschuld geleid omdat het huis onder water stond. Vanwege de lagere verkoopwaarde ten opzichte van de hypotheekschuld, is het ook niet aannemelijk dat geldverstrekker [eiseres], als zij dat op dat moment al zou hebben verzocht, in 2017 uit de hoofdelijke aansprakelijkheid zou hebben ontslagen of aan haar een herfinanciering toegekend zou hebben bij overname van de woning door [eiseres]. In 2017 was er immers een betalingsachterstand van € 3.000,00 en stond de woning (afgaande op de WOZ-waarde van € 192.000 in 2017 en de hypotheekschuld van € 220.000,00) ongeveer € 30.000,00 onder water.
Het standpunt van [eiseres] dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij tot nakoming van de geldleningsovereenkomst wordt gehouden, volgt de rechtbank evenmin. Zowel het bovenstaande, als de door [eiseres] gestelde belangen (leeftijd en hoogte inkomen), rechtvaardigen niet die conclusie. Geldverstrekker is gerechtigd tot incassering van hetgeen [eiseres] op grond van de geldleningsovereenkomst aan geldverstrekker verschuldigd is.
Bovendien heeft geldverstrekker de restschuld tot op heden niet ineens opgeëist, maar [eiseres] in de gelegenheid gesteld de restschuld in maandtermijnen van € 125,67 te voldoen. Met geldverstrekker is de rechtbank van oordeel dat niet valt in te zien waarom de betaling van een dergelijk maandbedrag ter aflossing van de restschuld niet van [eiseres] kan worden gevergd. Daarbij komt dat geldverstrekker zich, onder bepaalde voorwaarden, bereid heeft verklaard een regeling te treffen met [eiseres] die leidt tot het buiten invordering stellen van een deel van de restschuld. Van een onaanvaardbare of onredelijke opstelling van geldverstrekker jegens [eiseres] is geen sprake.
De rechtbank stelt [eiserer] in het ongelijk.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99