In deze mondelinge uitspraak oordeelt de commissie dat de verzekeraar niet heeft voldaan aan zijn waarschuwingsplicht, zoals bedoeld is in artikel 7:980 BW. De verzekeraar kan zich daarom niet op de gevolgen van het niet-betalen van de premie beroepen. Dit betekent dat hij de verzekering van de consument niet premievrij had mogen maken. Dus moet ervan worden uitgegaan dat de verzekering premiebetalend is blijven doorlopen tot de einddatum van de verzekering. Het beroep van de consument op artikel 7:980 BW is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.
De verzekeraar stelt allereerst dat de vordering van de consument op grond van artikel 3:310 BW is verjaard. Dit artikel ziet alleen op de verjaring van een vordering tot schadevergoeding. Van een vordering tot schadevergoeding is hier echter geen sprake. De consument vordert immers uitkering onder de verzekeringsovereenkomst en dat is een vordering tot nakoming van een verplichting uit de overeenkomst. Artikel 3:310 BW is dan ook niet van toepassing. Omdat het beroep van de verzekeraar op verjaring ex artikel 3:310 BW niet slaagt, gaat de commissie over tot de inhoudelijke beoordeling van de klacht.
De consument vindt dat de verzekeraar niet heeft voldaan aan zijn waarschuwingsplicht ex artikel 7:980 BW. De commissie overweegt ten aanzien hiervan het volgende.
De wetgever heeft ervoor gekozen om voor de waarschuwingsplicht ten aanzien van het niet betalen van de vervolgpremie bij levensverzekeringen niet aan te sluiten bij artikel 7:934 BW, maar heeft een speciale regeling opgenomen in artikel 7:980 BW. De reden hiervoor is onder meer de bescherming van anderen dan de schuldenaar/de verzekeringnemer, zoals de begunstigde voor zover deze de begunstiging heeft aanvaard en de pandhouder. Zij hebben bij het ongewijzigd voortzetten van de verzekering minstens zoveel belang als de verzekeringnemer zelf, zodat ook zij voor de gevolgen van het nietbetalen van de vervolgpremie dienen te worden gewaarschuwd en de gelegenheid moeten hebben om alsnog de achterstallige premie te voldoen.
Zoals aangegeven bevat artikel 7:980 lid 1 BW een waarschuwingsplicht voor de verzekeraar: het niet-betalen van de vervolgpremie door de verzekeringnemer heeft eerst gevolg, als de verzekeraar na de vervaldag van die vervolgpremie de verzekeringnemer, de begunstigde, indien deze zijn aanwijzing heeft aanvaard, de pandhouder en de beslaglegger door een mededeling op dat gevolg heeft gewezen en betaling binnen een daarbij op ten minste één maand gestelde termijn is uitgebleven. Van artikel 7:980 lid 1 BW kan op grond van artikel 7:986 lid 3 BW niet ten nadele van de verzekeringnemer, de begunstigde, de pandhouder of de beslaglegger worden afgeweken.
Dit laatste geldt alleen voor zover de verzekeringnemer een natuurlijk persoon is en deze de verzekering sluit anders dan in verband met de uitoefening van een beroep of bedrijf.
Als de verzekeraar niet heeft voldaan aan de waarschuwingsplicht van artikel 7:980 lid 1 BW, kan hij zich niet beroepen op de gevolgen van het niet-betalen van de premie.
In zijn brief van 30 maart 2011 heeft de verzekeraar nagelaten om de consument op de gevolgen van het niet-betalen van de premie te wijzen. Ook heeft hij nagelaten om de consument een termijn van een maand te gunnen om alsnog de achterstallige premie te voldoen. De verzekeraar heeft dus niet voldaan aan zijn waarschuwingsplicht ex artikel 7:980 BW en had de verzekering van de consument om die reden niet premievrij mogen maken.
Het gegeven dat de consument is aangemaand door de tussenpersoon, maakt het bovenstaande niet anders, omdat de waarschuwingsplicht blijkens artikel 7:980 BW op de verzekeraar rust. Eventuele aanmaningen door een tussenpersoon, die overigens ook niet aan de in artikel 7:980 BW gestelde eisen voldeden, ontslaan de verzekeraar niet van zijn waarschuwingsplicht.
De verzekeraar heeft aangevoerd dat een laatste aanmaning door de verzekeraar er met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet toe had geleid dat de consument alsnog alle achterstallige premies had voldaan. De consument had volgens de verzekeraar niet de intentie om te betalen.
De verzekeraar wijst in dat kader op het feit dat de consument zijn adreswijziging pas jaren later aan de verzekeraar heeft doorgegeven. Volgens de verzekeraar was de consument zich zeer bewust van het gegeven dat hij hierdoor eventuele aanmaningen van de verzekeraar niet zou ontvangen. Daarnaast was de consument volgens de verzekeraar ook niet in staat om de achterstallige premies te betalen, daar hij zakelijk failliet was. Op verzoek van de verzekeraar heeft de betrokken tussenpersoon ter zitting uitlatingen gedaan over de gang van zaken. De commissie merkt hierover het volgende op. Uit zowel het dossier als de verklaring ter zitting van de tussenpersoon is niet gebleken dat de consument niet wilde betalen. Uit de enkele omstandigheid dat de consument zijn adreswijziging pas na enkele jaren aan de verzekeraar heeft doorgegeven, kan naar het oordeel van de commissie niet zonder meer worden afgeleid dat de consument zijn achterstallige premies niet wilde voldoen.
De verzekeraar heeft er echter voor gekozen om geheel geen aanmaning als bedoeld in artikel 7:980 BW te versturen en heeft daarmee de consument de kans ontnomen om alsnog de achterstallige premie te betalen. De stelling van de verzekeraar dat de consument niet kon betalen, wordt door de consument betwist.
De slotsom is dat de vordering ad € 15.134,00 van de consument wordt toegewezen.
Bron: Kifid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99