Belanghebbende en haar echtgenoot hebben een onroerende zaak aan [adres1] 10 te [woonplaats] gekocht voor een koopprijs van € 440.000. In de akte van levering van 13 april 2015 is de onroerende zaak omschreven als een boerderijwoning (hierna: de woning) met schuren, ondergrond, erf en verdere aanhorigheden.
De onroerende zaak was in het verleden in gebruik bij de agrarische onderneming van de verkoper. Deze onderneming was ten tijde van de levering al een aantal jaren gestaakt. De bestemming van het perceel waarop de opstallen staan, is op 16 december 2014 gewijzigd van ‘agrarisch’ naar ‘woondoeleinden’. Een tot de onroerende zaak behorend perceel van 0.70.00 ha (hierna: het weiland) was zowel ten tijde van de verkoop en levering als daarna in gebruik bij de landbouwmaatschap [naam3] .
De belastinginspecteur stelde de overdrachtsbelasting als volgt vast:
Woongedeelte
Woongedeelte € 150.000 (2%)
Garage € 9.000 (2%)
Woonkavel 0.23.50 ha € 108.000 (2%)
Bedrijfsgedeelte
Achterhuis € 22.000 (6%)
Jongveestal € 5.000 (6%)
Kapschuur € 2.500 (6%)
Varkensschuur € 20.000 (6%)
Erfverhardingen € 2.000 (6%)
Erfkavel € 65.500 (6%)
Weiland
Weiland 0.70.00 ha € 56.000 (6%) [De rechtbank had eerder al geoordeeld dat met betrekking tot het weiland de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onder q van de Wet belastingen van rechtsverkeer 1970 (hierna: WBR) van toepassing is.]1
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat met het begrip aanhorigheden in de zin van artikel 14, tweede lid, wordt aangesloten bij de uitgangspunten die gelden voor de eigenwoningregeling in de inkomstenbelasting. Van een aanhorigheid is sprake indien een onroerende zaak ten tijde van de verkrijging naar objectieve maatstaven behoort bij de woning, daarbij in gebruik is en daaraan dienstbaar is.
Of de gebouwen behoren bij de woning hangt af van diverse omstandigheden, zoals de afstand tussen de gebouwen en de woning, de bouwkundige situatie, en de bereikbaarheid van de gebouwen vanuit de woning of vanaf de daarbij behorende grond. Dat de gebouwen dienstbaar moeten zijn aan de gebouwde eigendom houdt in dat er sprake moet zijn van een bepaald verband dat zodanig is dat de gebruiksmogelijkheden over en weer vergroot of althans verbeterd worden.
Naar het oordeel van het Hof behoren de bedrijfsgebouwen en erfverhardingen bij de woning, zijn zij daarbij in gebruik en dienstbaar aan, zodat zij aanhorigheden vormen in de zin van artikel 14, tweede lid, van de WBR. Het Hof overweegt daartoe als volgt.
Gelet op de ligging van de bedrijfsgebouwen en erfverhardingen ten opzichte van de woning, de bereikbaarheid van de bedrijfsgebouwen vanuit de woning en het feit dat zij op hetzelfde perceel gelegen zijn, behoren de bedrijfsgebouwen en erfverhardingen, naar het oordeel van het Hof, bij de woning. Het Hof wijst in dit verband ook op het rapport van de rijkstaxateur waarin is aangegeven dat het geheel – te weten de woning tezamen met de bedrijfsgebouwen – het aanzicht heeft van een ‘authentiek Twents erf’. De omstandigheid dat de bedrijfsgebouwen van oorsprong bedrijfsvastgoed betreffen noch de grootte van deze gebouwen doet daar aan af. Ook het feit dat de bedrijfsgebouwen tevens via een aparte toegangsweg bereikbaar zijn en zelfstandig geëxploiteerd kunnen worden, maakt niet dat zij niet tot de woning behoren.
Het Hof is verder van oordeel dat de bedrijfsgebouwen en erfverhardingen in gebruik zijn bij, en dienstbaar zijn aan de woning, nu zij de gebruiksmogelijkheden over en weer verbeteren dan wel vergroten. Redengevend daarvoor is het gebruik van de varkensschuur als opslag voor voer en als nacht- en winterverblijf voor kleinvee, waaronder, varkens, schapen, kippen, etc., dat de jongveestal in gebruik is voor het opslaan van potten en planten en voor het stallen van een caravan en aanhanger en dat de kapschuur wordt gebruikt voor de opslag van haardhout. Het enkele feit dat de bedrijfsgebouwen en erfverharding naar hun aard oorspronkelijk een bedrijfsbestemming hadden, brengt niet met zich dat zij geen aanhorigheid in bovenvermelde zin kunnen zijn.
Bron: Rechtspraak.nl
1Artikel 15 WBR https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&hoofdstuk=II&afdeling=3&artikel=15&z=2021-04-01&g=2021-04-01
lid q "....van ten behoeve van de landbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond..."
Fintool: Keerzijde van de vrijstelling overdrachtsbelasting op basis van artikel 15 WBR (lid q) is dat er geen sprake is van een box 1 verwerving. Immers, de onderhavige kavel is bedrijfsmatig in gebruik (hier in gebruik bij de landbouwmaatschap [naam3])
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99