[eisers] c.s. = 'zus die wenst te verkopen'
[gedaagden] c.s. = 'zus die appartement wenst aan te houden'
[eisers] c.s. beroepen zich op artikel 3:178 lid 1 BW. Hierin is bepaald dat ieder van de deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen. Deze bepaling vormt de hoofdregel en de ratio ervan is dat in beginsel niemand in een onverdeelde gemeenschap hoeft te blijven.
[gedaagden] c.s. doen een beroep op een uitzondering op de hoofdregel, namelijk op het bepaalde in artikel 3:178 lid 3 BW: indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend, kan de rechter op verlangen van een deelgenoot een vordering tot verdeling eenmaal of meerdere malen, telkens voor maximaal 3 jaar, uitsluiten. Er dient in dit kader dus een belangenafweging plaats te vinden. Omdat [gedaagden] c.s. een beroep doet op deze uitzondering, om daardoor (tijdelijk) bevrijd te worden van de verplichting die de hoofdregel van artikel 3:178 lid 1 BW met zich meebrengt (verdeling), rusten de stelplicht en bewijslast op [gedaagden] c.s.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben [gedaagden] c.s. echter onvoldoende onderbouwd gesteld, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door [eisers] c.s., om aan te nemen dat de belangen van [gedaagden] c.s. bij behoud van het appartement aanmerkelijk groter zijn dan de belangen van [eisers] c.s. bij verkoop ervan.
Het is onvoldoende dat [gedaagden] c.s. het appartement zelf jaarlijks driemaal buiten de vakantieperiodes gebruiken en dat zij een sterke band hebben opgebouwd met het appartement en met [plaats 3] . Nergens uit blijkt dat er sprake is van een bijzonder familiebezit of van een onmogelijkheid om na verkoop van het appartement nog ergens op vakantie te kunnen gaan. [gedaagden] c.s. stellen dat er sprake is van een uitdrukkelijke wens van vader om het appartement in de familie te houden. Afgezien van het feit dat van deze uitdrukkelijke wens niet is gebleken, leidt een dergelijke wens van een niet-eigenaar er niet toe dat dit een uitsluiting van een vordering tot verdeling zou kunnen rechtvaardigen.
De vordering van [gedaagden] c.s. in reconventie zal dan ook worden afgewezen.
De conclusie is dan ook dat de vordering in conventie van [eisers] c.s. dat het appartement aan een derde moet worden verkocht, toewijsbaar is.
[gedaagden] c.s. hebben namelijk ter zitting verklaard dat zij niet in staat zijn om het aandeel van [eisers] c.s. over te nemen en dat zij ook geen derde kennen die hiertoe in staat en bereid is.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99