MijnFintool

Nieuws

Omkering van de bewijslast als sprake is van schenking

De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of er sprake is van een schenking. Eiser (neef en mede erfgenaam van overledene/erflaatster) vordert een bedrag van €20.488,67 terug bij gedaagde (ontvanger schenkingen). De neef vindt dat de schenkingen vernietigd moeten worden vanwege misbruik van omstandigheden als bedoeld in artikel 3:44 lid 4 Burgerlijk Wetboek.

Hij doet daarbij ook een beroep op de bewijsregel van 7:176 BW die (kort gezegd) voorziet in een omkering van de bewijslast als sprake is van schenking.

Standpunten

Mevrouw [gedaagde] heeft erkend dat deze twee overboekingen schenkingen waren van [erflaatster] en dat zij deze schenkingen ook heeft aanvaard. Dat is vormvrij gebeurd, er is geen sprake van een notariële akte.

De heer [eiser] stelt dat deze schenkingen hebben plaatsgevonden als gevolg van misbruik van omstandigheden door mevrouw [gedaagde] . Mevrouw [gedaagde] betwist dit.

Bij de beoordeling hiervan geldt het volgende toetsingskader.

In artikel 3:44 lid 4 BW staat dat een rechtshandeling vernietigbaar is als deze door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Iemand maakt misbruik van omstandigheden wanneer hij of zij bevordert dat een andere persoon een rechtshandeling verricht (in dit geval: een schenking doet) terwijl hij of zij weet of moet begrijpen dat die andere persoon dat onder invloed van bijzondere omstandigheden doet (zoals afhankelijkheid of abnormale geestestoestand) en vanwege deze bekendheid met die bijzondere omstandigheden van medewerking aan de rechtshandeling had moeten afzien.

Als er een schenking heeft plaatsgevonden, geldt nog een bijzondere bepaling. In artikel 7:176 BW is geregeld dat indien de schenker ( [erflaatster] , maar in dit geval de heer [eiser] als haar executeur testamentair) feiten stelt waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen, de bewijslast van het tegendeel op de begiftigde rust. Dit is alleen anders als er van de schenking een notariële akte is opgemaakt of als deze verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn, maar dat is hier niet aan de orde.

Artikel 7:176 BW gaat dus over verdeling van de bewijslast. Maar, en dat blijkt ook uit het artikel, het is wel eerst aan de schenker (of in dit geval: de executeur testamentair de heer [eiser] ), om voldoende over het bestaan van die bijzondere omstandigheden, het causaal verband tussen de bijzondere omstandigheden en de schenking en het misbruik, te stellen. Pas als dat is gelukt, wordt toegekomen aan de bewijsfase en daarmee aan de omkering van de bewijslast op grond van artikel 7:176 BW.

Stelling neef

Ter feitelijke onderbouwing van zijn beroep op artikel 3:44 lid 4 BW stelt de heer [eiser] , toegelicht met documenten, dat [erflaatster] dementerend was tijdens haar verblijf in de Verenigde Staten en dat mevrouw [gedaagde] niets heeft gedaan om [erflaatster] te beletten tot het doen van deze schenkingen, hetgeen van haar als levenspartner van [erflaatster] wel verwacht had mogen worden. Mevrouw [gedaagde] heeft dit betwist.

Dementerend?

Op basis van de overgelegde stukken kan worden vastgesteld dat [erflaatster] dementerend was ten tijde van de schenking. Het geriatrisch rapport van december 2018 spreekt over een “sterke verdenking dementiesyndroom”, maar dat is nog geen definitieve diagnose.

Testament

[erflaatster] heeft daags na het tot stand komen van het geriatrisch rapport van december 2018 nog een testament opgesteld, althans gewijzigd, waarvan mevrouw [gedaagde] onbetwist heeft aangevoerd dat dit is gebeurd op basis van een (volgens de normen van het notariaat) geheim gebleven medisch rapport. Hieruit kan worden afgeleid dat de notaris [erflaatster] wilsbekwaam achtte om opdracht te geven tot dit testament en dit te ondertekenen. De bezwaren van de heer [eiser] , ook als mede erfgenaam van [erflaatster] , tegen de bekwaamheid van deze notaris zijn niet nader toegelicht, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.

Beslissing

Uit het voorgaande volgt dat – in het licht van het verweer – de heer [eiser] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan – als deze zouden komen vast te staan – kan worden geconcludeerd dat mevrouw [gedaagde] misbruik heeft gemaakt van bijzondere omstandigheden van [erflaatster] onder invloed waarvan de schenkingen zijn gerealiseerd, als bedoeld in artikel 3:44 lid 4 BW.
Nu de heer [eiser] dus niet voldoende heeft voldaan aan zijn stelplicht, wordt niet toegekomen aan de bewijsfase en dus ook niet aan toepassing van artikel 7:176 BW waarin een omkering van die bewijslast voorkomt.

 

Bron: Rechtspraak.nl

Modules & dossiers

Opvoerdatum

26 aug 2021

Laatst gewijzigd

26 aug 2021

Reacties

Er zijn (nog) geen reacties op dit artikel

Reageren? Graag eerst inloggen.

Permanent Actueel met Fintool?

Als professioneel financieel adviseur moet en wilt u bijblijven en dat het liefst in zo weinig mogelijk (kostbare) tijd. Dat kan nu met Fintool.nl! Meld u nu aan als abonnee en krijg direct toegang tot de Kennisbank en Helpdesk.
Lees verder

Fintool bv © 2003/2025. Alle rechten voorbehouden.
Lees graag de leveringsvoorwaarden en het privacy reglement.

1
1