Het gaat onder meer om de kosten voor de aanschaf van nieuwbouwwoningen of voormalige huurwoningen, de verwervingskosten van koopwoningen (onder meer makelaar en notaris), renovatie en onderhoud van een woning en om verzekeringspremies. De aanschaf van een bestaande koopwoning wordt niet opgenomen in de nieuwe maatstaf.
De ECB streeft naar stabiele consumentenprijzen. Zij richt zich hierbij op een speciaal ontwikkelde Europese geharmoniseerde prijsindex, de zogeheten HICP (Harmonised Index of Consumer Prices), die voor het eurogebied per jaar met ongeveer 2% mag stijgen. De laatste jaren was de prijsstijging steeds lager dan 2% en hield de ECB de rentes laag om de inflatie te laten stijgen.
Maar veel consumenten, zeker in Nederland, lieten tijdens sessies die de ECB organiseerde om de mening van burgers te horen, juist weten meer last te hebben van stijgende prijzen. Zij verwezen dan naar de sterk gestegen kosten van het eigenwoningbezit. Deze kosten vallen echter voor het grootste deel buiten de HICP, terwijl ze wel een groot aandeel hebben in de bestedingen van eigenwoningbezitters. Het ontbreken van de kosten voor eigenwoningbezit in de inflatiemaatstaf kan eraan bijdragen dat er een relatief groot verschil ontstaat tussen de inflatie die mensen ervaren en de inflatie die de ECB meet.
De prijsindex voor de kosten van eigenwoningbezit (OOHPI-index) meet de kosten van eigenwoningbezit. Deze bevat de kosten van de aanschaf, reparatie, en onderhoud van de woning en verzekeringspremies. De kosten van de aanschaf van de woning omvatten, naast de koopprijs, ook de overdrachtsbelasting en de kosten voor de makelaar en de notaris. De laatste jaren is de OOHPI in Nederland vrij sterk gestegen onder invloed van de stijgende huizenprijzen.
In lijn met de inzet van DNB is door de ECB uiteindelijk besloten de bestaande OOHPI-index op termijn op te nemen in de HICP. Het gaat om diverse redenen nog tot omstreeks 2026 duren voordat de aangepaste HICP inclusief de post kosten eigenwoningbezit is geïmplementeerd.
Gebruikmakend van de beschikbare data en een schatting van de gepaste gewichten, zou het meewegen van de kosten eigenwoningbezit het afgelopen decennium de HICP-inflatie in het eurogebied gemiddeld ongeveer 0,2 procentpunt hoger hebben doen uitvallen. Voor Nederland, waar de OOHPI-inflatie hoger ligt, zou de HICP momenteel ongeveer 0,5 procentpunt hoger uitkomen. Er is ook een aantal jaren geweest waarin de OOHPI-index minder snel toenam dan de HICP. De invloed zal naar verwachting dus merkbaar, maar beperkt zijn. In periodes waarin de ontwikkeling van huizenprijzen sterk afwijkt van de HICP en het gewicht van de kosten van eigenwoningbezit relatief groot is, kan de invloed van OOHPI op de HICP groter zijn. In Nederland zou dit, zeker terugkijkend, het geval zijn geweest.
Bron: DNB
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99