Belanghebbende is op 24 augustus 2015 een leningsovereenkomst (hierna: leningsovereenkomst I) aangegaan ten behoeve van de financiering van de aankoop van [de woning] . De woning kwalificeert als eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).
De inspecteur stelt dat na een onderzoek bij de vader leningsovereenkomsten zijn aangetroffen die betrekking hebben op belanghebbende. Eerst op basis van die stukken is geconcludeerd dat bij belanghebbende geen sprake is van een kwalificerende eigenwoningschuld, waardoor de rente met betrekking tot de schuld niet aftrekbaar is.
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat in leningsovereenkomst I (zie ook 2.2) niet is opgenomen dat belanghebbende verplicht is de lening van € 195.000 ten minste annuïtair en in ten hoogste 360 maanden af te lossen (de contractuele verplichting tot aflossing). Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende en de vader ter zake van gelden waarop leningsovereenkomst I ziet nadere (schriftelijke) afspraken hebben gemaakt met een dergelijke contractuele verplichting.
In de ongedateerde overeenkomst is eveneens geen bepaling opgenomen inzake de verplichting tot aflossing van de betreffende lening. De in die overeenkomst opgenomen bepaling “In nader onderling overleg wordt tussen schuldeider en de schuldenaar de aflossing van de hoofdsom of het restant geregeld” maakt niet dat wordt voldaan aan de in de wet gestelde voorwaarde. In de leningsovereenkomst van 17 december 2016 is eveneens geen bepaling opgenomen inzake de verplichting tot aflossing van de betreffende lening. De bepaling “In nader onderling overleg is besloten dat de lening in 29 jaar wordt afgelost. Derhalve voor de eerste keer op 1 januari 2017.” voldoet ook niet aan de in de wet gestelde voorwaarde.
De rechtbank is, gelet op voormelde, van oordeel dat geen sprake is van een eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 119a, eerste lid, van de Wet IB 2001.
Of al dan niet feitelijk is afgelost, is voor de vraag of is voldaan aan voorwaarde b van artikel 3.119a van de Wet IB 2001 niet van belang. Dat belanghebbende de intentie heeft gehad om op de lening af te lossen leidt niet tot een ander oordeel.
Het gelijk is aan de inspecteur.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99