Dit betekent dat de ontbindingstermijn van artikel 6:230x lid 1 BW nog steeds loopt en nog niet is verstreken.
Gedaagde heeft om die reden tijdig de ontbinding ingeroepen van de overeenkomst, zodat de vordering van eiser tot betaling van de factuur wordt afgewezen.
De kantonrechter stelt vast dat de overeenkomst van opdracht tussen een handelaar en een consument is gesloten.
Op grond van artikel 4:20 Wft rusten op de eisende partij (pre)contractuele informatieverplichtingen, welke zijn uitgewerkt in het eveneens toepasselijke Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen (hierna BGfo). Volgens artikel 4:20 lid 1 Wft moet aan de consument, kort gezegd, bepaalde informatie worden verstrekt voorafgaand aan het adviseren, het verlenen van een beleggingsdienst, het verlenen van een nevendienst of de totstandkoming van een overeenkomst inzake een financieel product.
Onderdeel van de (pre)contractuele informatieverplichtingen is dat de consument bij het afsluiten van een overeenkomst op afstand op het herroepingsrecht gewezen moeten worden (artikel 77 lid 1 onder o BGfo). Op grond van artikel 6:230x lid 1 BW kan een consument een overeenkomst buiten de verkoopruimte zonder opgave van redenen ontbinden gedurende veertien kalenderdagen vanaf de dag waarop die overeenkomst is aangegaan dan wel, indien dit later is, gedurende veertien kalenderdagen vanaf de dag waarop de informatie die de financiële onderneming hem op grond van artikel 4:20 lid 1 Wft dient te verstrekken, door hem is ontvangen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] bovendien verklaard dat de overeenkomst van opdracht in de regel een week na totstandkoming ervan wordt nagezonden. Vast staat daarmee dat de overeenkomst niet bij [gedaagde] is achtergelaten. Mede ook gelet daarop heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde] op een deugdelijke wijze op zijn herroepingsrecht is gewezen. [eiser] wordt erop gewezen dat het enkel en alleen opnemen in de overeenkomst van de (pre)contractuele informatie niet volstaat, omdat dergelijke informatie op een voor de gemiddelde consument duidelijke, begrijpelijke en ondubbelzinnige wijze moet worden verstrekt. Tijdens het sluiten van de overeenkomst moet de consument stap voor stap langs deze informatie worden geleid, zodat er geen misverstand kan ontstaan over de vraag of de gemiddelde consument deze informatie bewust onder ogen heeft gekregen.
Op grond van artikel 4:20 Wft in combinatie met artikel 86f BGfo en artikel 4:2 e.v. van de Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Nrgfo) is een financiële dienstverlener bovendien verplicht voorafgaand aan het verlenen van een financiële dienst als de onderhavige een dienstverleningsdocument te verstrekken dat betrekking heeft op de gevraagde dienstverlening.
Naar het oordeel van de kantonrechter is niet komen vast te staan dat [eiser] voorafgaand of tijdens het sluiten van de overeenkomst met [gedaagde] een dergelijk dienstverleningsdocument aan [gedaagde] heeft verstrekt. [eiser] heeft weliswaar tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd gesteld dat dit formulier zou zijn achtergelaten bij [gedaagde] , maar [gedaagde] heeft dat uitdrukkelijk betwist. Zijn verklaring op dit punt past ook bij zijn eerder ingenomen standpunt op de rolzitting dat hij – behoudens een visitekaartje van [A] – geen document van [A] (voor [eiser] ) heeft ontvangen bij het aangaan van de overeenkomst of korte tijd daarna. Het enkele feit dat [gedaagde] heeft getekend voor ontvangst van het dienstverleningsdocument zoals [eiser] stelt, betekent naar het oordeel van de kantonrechter (..) nog niet dat het dienstverleningsdocument daadwerkelijk is verstrekt. Het had op de weg van [eiser] gelegen zijn stelling dat het dienstverleningsdocument daadwerkelijk is verstrekt te onderbouwen. Nu [eiser] dat heeft nagelaten kan dit niet als vaststaand worden aangemerkt.
De conclusie is dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij heeft voldaan aan de informatieverplichting die voortvloeit uit artikel 4:20 Wft. Dit betekent dat de ontbindingstermijn van artikel 6:230x lid 1 BW nog steeds loopt en nog niet is verstreken. [gedaagde] heeft om die reden tijdig de ontbinding ingeroepen van de overeenkomst, zodat de vordering van [eiser] tot betaling van de factuur wordt afgewezen.
De factuur hoeft dan ook niet door consument voldaan te worden.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99