De consument heeft vier momenten genoemd waarop de tussenpersoon contact met hem had moeten opnemen om te bezien of er maatregelen getroffen moesten worden. De consument stelt dat de tussenpersoon in de aanloop naar het faillissement van C., aan de hand van deze gebeurtenissen had kunnen vermoeden dat C. zich in een moeilijke financiële positie bevond. Het gaat om:
Nog afgezien van de vraag of op de assurantietussenpersoon in het algemeen de (wettelijke) verplichting rust om in geval van een dreigend faillissement van een verzekeraar contact op te nemen met zijn klanten, is de commissie van oordeel dat de op de assurantietussenpersoon rustende zorgplicht in ieder geval niet zo ver strekt dat deze op de genoemde vier momenten met de consument contact had moeten opnemen om te bezien of maatregelen moesten worden getroffen om de belangen van de consument veilig te stellen. Op deze momenten, afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien, was het voor de tussenpersoon niet voorzienbaar dat C. failliet zou gaan. Daarbij geldt dat de vraag of de tussenpersoon contact met de consument had moeten opnemen niet mag worden beoordeeld in het licht van kennis die achteraf is verkregen.
De commissie voegt aan dit oordeel nog toe dat het nog maar de vraag is of er maatregelen getroffen hadden kunnen worden die de consument in een betere vermogenspositie hadden gebracht. Afkoop van de beide verzekeringen kan gelet op de toepasselijke voorwaarden en gelet op de omstandigheid dat één van beide verzekeringen een lijfrenteverzekering is, voor de consument ongunstig zijn.
Lees hier de volledige uitspraak.
Bron: Kifid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99