De commissie oordeelt dat het aannemelijk is dat de consument door de uitlatingen van de hypotheekadviseur op het verkeerde been is gezet en teleurgesteld is in zijn verwachtingen.
Op basis van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft als uitgangspunt te gelden dat de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door hem gestelde feiten – bij voldoende betwisting door de tegenpartij – zijn stellingen dient te bewijzen. Nu de commissie geen partij was bij het telefoongesprek tussen de consument en de hypotheekadviseur, dient zij haar oordeel te baseren op hetgeen volgt uit de door partijen ingebrachte stukken. Uit hetgeen partijen hebben overgelegd volgt niet dat de hypotheekadviseur op enig moment (telefonisch) een toezegging heeft gedaan over het terug te ontvangen bedrag van de belastingdienst. Daarbij is in de financieringsopzet/ voorstel van de bank tevens een voorbehoud gemaakt. Gelet op het voorgaande kan de commissie niet concluderen dat sprake is van een toezegging of dat de bank toerekenbaar is tekortgeschoten in de uitvoering van haar dienstverlening. Het klachtonderdeel kan daarom niet slagen.
De hypotheekadviseur gaf tijdens het telefoongesprek met de consument aan dat de consument volgend jaar deze kosten fiscaal zou kunnen aftrekken. De consument heeft vervolgens gevraagd of het verstandig is om deze kosten in de belastingaangifte aan zijn echtgenote toe te rekenen. Hij heeft zelf slechts een inkomen uit AOW waarvoor een verlaagd belastingtarief geldt. Zijn echtgenote heeft een WIA-uitkering en valt daarmee in een hoger belastingtarief, namelijk 37,1 %. De hypotheekadviseur heeft dit beaamd. De consument heeft vervolgens expliciet gevraagd of dit betekende dat hij en zijn echtgenote rond de 37,1% van de totale kosten ad € 20.000,- terug zouden krijgen van de fiscus. De hypotheekadviseur heeft dit ook beaamd.
De commissie merkt op dat de consument tijdens het telefoongesprek ook niet is gewezen op de onjuistheid van zijn aanname over de belastingteruggave, hetgeen heeft geleid tot een teleurgestelde verwachting. Daarop kan hij echter naar het oordeel van de commissie niet met succes zijn vordering baseren.
Een rechtens toewijsbare schadevergoeding dient de schuldeiser (de consument) zoveel mogelijk in de toestand te brengen waarin hij zou verkeren indien het schadeveroorzakende feit (de wanprestatie, de onrechtmatige daad) niet zou hebben plaatsgevonden. De consument is er niet in geslaagd te onderbouwen dat hij, uitgaande van deze maatstaf, schade heeft geleden. De consument heeft weliswaar gerekend op een hogere belastingteruggave ten aanzien van de eenmalige kosten voor de financiering, maar de omvang van de belastingteruggave zou ook in het geval de hypotheekadviseur de consument erop had gewezen dat zijn aanname over de belastingteruggave onjuist was, niet anders zijn geweest. Dat de consument indien hij niet in een onjuiste veronderstelling verkeerde de omzetting niet zou hebben doorgezet is onvoldoende gesteld of gebleken.
De vordering dient dan ook te worden afgewezen.
Bron: Kifid/ lees hier de volledige uitspraak
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99