MijnFintool

Nieuws

Geen economische levering, dan ook geen renteaftrek aandeel ex-partner

X heeft 2/3e deel van de eigendom van een eigen woning en haar ex-partner 1/3e deel. X betaalt in 2016 de volledige hypotheekrente. Blijkens een akte van verdeling en levering komt de economische en juridische eigendom pas in 2018 volledig toe aan X.

Geen economische levering

Vaststaat dat eiseres en de ex-partner in het onderhavige jaar (aangifte IB, opgevoerde hypotheekrenteaftrek) beiden eigenaar waren van de woning en dat zij samen schulden zijn aangegaan in verband met de aankoop van de woning. Eiseres heeft in het onderhavige jaar met haar kinderen in de woning gewoond. De woning gold derhalve als haar hoofdverblijf. Eiseres is voor 2/3 deel eigenaar van de woning en de ex-partner is voor 1/3 deel eigenaar van de woning. Dit een en ander leidt tot het oordeel dat de woning eiseres voor 2/3 deel op grond van eigendom ter beschikking staat als hoofdverblijf. De stellingen van eiseres die ertoe strekken dat zij de volledige economische eigendom van de woning had, kan de rechtbank niet volgen. Uit de gedingstukken kan niet worden opgemaakt dat het risico van waardeveranderingen in 2016 voor rekening van eiseres kwam. Gesteld noch gebleken is dat bij verkoop van de woning te realiseren (positieve of negatieve) verkoopopbrengsten in afwijking van de eigendomsverhouding zouden worden verdeeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de woning voor eiseres voor 2/3 deel kwalificeert als eigen woning in de zin van artikel 3.111, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001. Nu de woning voor 2/3 deel kwalificeert als eigen woning kan ook slechts 2/3 deel van de door eiseres aangegane schuld worden aangemerkt als eigenwoningschuld. Voor de ex-partner geldt dat, nu de woning voor hem niet als hoofdverblijf dient, zowel zijn eigendomsdeel van de woning als het daarop betrekking hebbende deel van de schuld in box 3 vallen. Eiseres heeft in het onderhavige jaar alleen recht op aftrek voor 2/3 deel van de betaalde (hypotheek)rente. Hieraan doet niet af dat zij het hele bedrag en dus ook het deel van de (hypotheek)rente van haar ex-partner heeft betaald en dat zij hoofdelijk aansprakelijk is voor de (hypotheek)schuld. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat het primaire standpunt van eiseres niet slaagt. Het Gerechtshof bevestigt dit oordeel.

Schorsing betaling ex-partner

Eiseres heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat zij de voor haar ex-partner betaalde hypotheekrente vanaf 1 juni 2016, ten bedrage van € 6.291, in aftrek mag brengen omdat haar ex-partner door het gerechtshof Amsterdam per 1 juni 2016 is geschorst uit zijn verplichting zijn gedeelte van de hypotheekrente te voldoen. De rechtbank is van oordeel dat ook dit standpunt niet kan slagen omdat deze schorsing van de betalingsverplichting niet betekent dat het eigendomsdeel van de ex-partner in juridische dan wel economische zin is overgegaan naar eiseres.

Billijkheid

Tot slot heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat de aftrek op grond van de redelijkheid en billijkheid alsnog moet worden verleend omdat anders de onredelijke situatie ontstaat dat de (hypotheek)rente zowel bij haar als bij haar ex-partner niet in aftrek komt. De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan dat de Wet IB 2001 enkele voorwaarden kent waaronder de kosten met betrekking tot een eigen woning aftrekbaar zijn. Zoals hiervoor is overwogen heeft eiseres op grond hiervan geen recht op aftrek van de voor haar ex-partner betaalde (hypotheek)rente. Op grond van de onder 14 aangehaalde artikelen uit de Wet IB 2001 heeft ook de ex-partner geen recht op de (hypotheek)renteaftrek omdat de woning hem in het onderhavige jaar niet als hoofdverblijf ter beschikking heeft gestaan en hij de rente niet heeft voldaan. Dat dit betekent dat de (hypotheek)rente ten aanzien van het deel van de ex-partner niet in aftrek kan worden gebracht, kan niet tot de conclusie leiden dat de aftrek op grond van de redelijkheid en billijkheid alsnog bij eiseres in aftrek moet worden toegelaten. De rechtbank moet op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen volgens de wet rechtspreken, in geen geval mag de rechter de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen.

Inkomsten uit tijdelijke verhuur (foutje belanghebbende)

De woning moet voor twee derde deel als eigen woning van belanghebbende worden aangemerkt in de zin van artikel 3.111, lid 1, letter a, Wet IB 2001. Dat brengt mee dat slechts twee derde deel van de eigenwoningwaarde bij belanghebbende in aanmerking kan worden genomen ter bepaling van de voordelen uit eigen woning in de zin van artikel 3.112,Wet IB 2001. Die voordelen worden op grond van artikel 3.113 Wet IB 2001 vermeerderd met 70 percent van de voordelen ter zake van het tijdelijk ter beschikking stellen van de eigen woning aan derden. Belanghebbende heeft in de aangifte 70 percent van alle uit het ter beschikking stellen van de woning genoten voordelen opgenomen, zonder rekening te houden met de omstandigheid dat de woning slechts voor twee derde deel als haar eigen woning kan worden aangemerkt. Zij heeft dus een te hoog bedrag aan voordelen uit de tijdelijke verhuur via Airbnb aangegeven.

Het Hof stelt (terecht) dat de huurinkomsten 2/3 x 70% als belastbaar inkomen aangemerkt dient te worden.


Bron: Rechtspraak.nl

Modules & dossiers

Opvoerdatum

10 feb 2022

Laatst gewijzigd

10 feb 2022

Reacties

Er zijn (nog) geen reacties op dit artikel

Reageren? Graag eerst inloggen.

Permanent Actueel met Fintool?

Als professioneel financieel adviseur moet en wilt u bijblijven en dat het liefst in zo weinig mogelijk (kostbare) tijd. Dat kan nu met Fintool.nl! Meld u nu aan als abonnee en krijg direct toegang tot de Kennisbank en Helpdesk.
Lees verder

Fintool bv © 2003/2025. Alle rechten voorbehouden.
Lees graag de leveringsvoorwaarden en het privacy reglement.

1
1