Partijen hebben een affectieve relatie gehad en met elkaar samengewoond in de periode van augustus 1999 tot eind oktober 2018. Zij hebben hun samenwoning niet formeel geregeld.
Partijen zijn gezamenlijk, ieder voor de helft, eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] te ([postcode] ) [plaats] (hierna: de woning). Na de verbreking van de relatie heeft de vrouw de woning verlaten. De man is in de woning blijven wonen.
"Overeenkomst"
...
Een door beide partijen ondertekend stuk getiteld “Verdeling [eiser] / [gedaagde] ” luidt, voor zover van belang, als volgt:
..
Dhr. [eiser] heeft het verkoopproces beëindigd begin maart 2019 en besloten om te blijven wonen en alle lusten en lasten op zich te nemen. [gedaagde] wordt hoofdelijk ontslagen op de lopende hypotheek. De hypotheek wordt volledig en zonder verdere fiscale aanpassingen overgenomen door [eiser] . [gedaagde] draagt haar fiscale aflossingsvrije gedeelte en haar eigenwoningreserve en eigenwoningrente van hypotheek geheel over aan [eiser] ook in de toekomst. De restschuld wordt door [eiser] volledig gedragen onder voorwaarde dat de hypotheekconstructie ongewijzigd wordt voortgezet.”
Op 1 januari 2019 was er sprake van een restschuld bij eventuele verkoop groot 52593.43 euro.
..."
Bij e-mail van 22 september 2021 heeft een kandidaat-notaris van Notariskantoor X het volgende aan de vrouw meegedeeld:
“Graag heb ik overleg omtrent de inhoud van de akte van verdeling en de peildatum van waardebepaling.
In principe dient u een overbedelingssom te voldoen aan de heer [eiser] . Tussen u en hem is afgesproken dat de heer [eiser] afziet van deze vordering. Dit kan gezien worden als een schenking (belast met schenkbelasting).
Dit wil ik u uitleggen en toelichten.
(…) verzoek ik u vriendelijk vrijdag contact met mij op te nemen. Na ons telefonisch contact kan ik u het concept van de akte doen toekomen en zorg dragen voor een spoedige afwikkeling van uw dossier. (…)”
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan het door de man overgelegde, door hem opgestelde, document van 8 juni 2021 niet worden beschouwd als een rechtsgeldige verdelingsovereenkomst. Hieruit volgt namelijk niet voldoende duidelijk dat en, zo ja, wanneer partijen daadwerkelijk hebben afgesproken dat de woning aan de man wordt toegedeeld, laat staan tegen welke waarde. In het document worden enkele gedateerde, niet nader onderbouwde, waarden van de woning en bedragen van hypothecaire leningen genoemd. Als al kan worden aangenomen dat op basis van dit document iets tussen partijen wordt “verdeeld”, zijn dat hooguit dat de hypothecaire schulden, in die zin dat de man (met zijn huidige partner) deze voor zijn rekening zal nemen. Voor het overige wordt in dit document slechts een opsomming gegeven van een aantal feiten.
Kennelijk heeft de man - zonder dit te benoemen - als peildatum voor de waardering van de woning “januari 2019” gehanteerd. In het document wordt niet (nader) toegelicht waarom is gekozen voor die maand en dat jaartal. Dit terwijl het uitgangspunt is dat wordt uitgegaan van de waarde ten tijde van de (formele) verdeling (het moment waarop de verdeling door de rechter in zijn beschikking wordt vastgesteld of het moment waarop door partijen over de verdeling afspraken zijn gemaakt bijvoorbeeld op de zitting. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken op grond van wat partijen over die waarderingspeildatum hebben afgesproken of op grond van de redelijkheid en billijkheid.
In de gegeven omstandigheden, waarin naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake is van een verdelingsovereenkomst met betrekking tot de woning en de vrouw zich op voorhand heeft beroepen op vernietiging van de gestelde verdeling op grond van artikel 3:196 BW en op grond van artikel 3:44 BW en er nog andere mogelijke posten bestaan, die in de verdeling moeten worden betrokken, zijn de vorderingen van de man niet toewijsbaar. Deze vorderingen zullen worden afgewezen.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99