Hoeveel ruimte geeft deze richtlijn voor nationale interpretatie van de voorstellen. Hoe gaat de minister om met het verplichte karakter van de EU-regels die bepalend zijn bij het eigen woningbezit, dit omdat de nationale inzet juist ziet op het bieden van (financiële) ondersteuning en normering in plaats van verplichting?
Ontzorging en financiële ondersteuning van woningeigenaren zijn inderdaad zeer belangrijke en kernelementen in mijn aanpak voor de verduurzaming van woningen, zeker in deze vroege fase van de energietransitie. Ik werk deze elementen nader uit in het programma verduurzaming gebouwde omgeving dat ik begin mei zal presenteren. Normering om de slechtst presterende woningen uit te faseren is op termijn onvermijdelijk om de energietransitie in de gebouwde omgeving te laten slagen. Alle gebouwen dienen immers klimaatneutraal te zijn in 2050.
Ten aanzien van het EBPD-voorstel acht het kabinet het niet aan de Europese Commissie om detailregelgeving te formuleren voor huiseigenaren in deze fase. Er moet voldoende flexibiliteit zijn voor lidstaten om zelf te kunnen bepalen of en wanneer normering gerechtvaardigd is. Het kabinet zal dit aan de orde stellen bij de Commissie. Het definitieve voorstel van de EPBD is afhankelijk van de uitkomsten van de onderhandelingen met andere lidstaten en de Europese Commissie die nu zijn gestart. Na afronding van de onderhandelingen duurt het nog enkele jaren voordat de nieuwe regels worden geïmplementeerd in de nationale regelgeving.
Hebben huurders toestemming nodig van hun verhuurder om een laadpunt te installeren, gezien de nieuwe richtlijn? En wie is er verantwoordelijk voor dit laadpunt, de huurder of de verhuurder?
Antwoord vraag 12
Het verschilt per situatie of een huurder toestemming nodig heeft van zijn verhuurder. Hierbij is met name artikel 7: 215 Burgerlijk Wetboek (BW) van belang. Dit artikel bepaalt dat de huurder niet bevoegd is de inrichting of gedaante van het gehuurde geheel of gedeeltelijk te veranderen dan na schriftelijke toestemming van de verhuurder, tenzij het gaat om veranderingen en toevoegingen die bij het einde van de huur zonder noemenswaardige kosten ongedaan kunnen worden gemaakt en verwijderd. Of een huurder toestemming nodig heeft van de verhuurder is afhankelijk van de specifieke situatie. Artikel 7: 215 BW bepaalt tevens, dat de huurder zich tot de rechter kan wenden indien zijn verhuurder toestemming weigert. De verantwoordelijkheid voor dit laadpunt is afhankelijk van de specifieke situatie en de daarover gemaakte afspraken tussen een huurder en verhuurder.
Hoe verhoudt het te introduceren recht van huurders om zonder toestemming van de verhuurder een laadpunt te installeren zich tot de risicoaansprakelijkheid van verhuurders.
Antwoord vraag 30
Artikel 7: 215 BW bepaalt dat de huurder niet bevoegd is de inrichting of gedaante van het gehuurde geheel of gedeeltelijk te veranderen dan na schriftelijke toestemming van de verhuurder, tenzij het gaat om veranderingen en toevoegingen die bij het einde van de huur zonder noemenswaardige kosten ongedaan kunnen worden gemaakt en verwijderd.
Artikel 7: 215 BW bepaalt tevens, dat de huurder zich tot de rechter kan wenden indien zijn verhuurder toestemming weigert. De rechter kan vervolgens afwegen of de veranderingen noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van het gehuurde door de huurder of het woongenot verhogen en er geen zwaarwichtige bezwaren aan de zijde van de verhuurder zich tegen het aanbrengen daarvan verzetten. Ook kan de rechter voorwaarden verbinden of daarbij een last opleggen; en hij kan op vordering van de verhuurder de huurprijs verhogen, indien de veranderingen daartoe aanleiding geven. Bij deze afweging en de mogelijkheid van voorwaarden kan de verhuurder ook de gevolgen voor zijn risicoaansprakelijkheid aan de orde stellen.
De huidige labelklassenindeling in Nederland is gebaseerd op het primair fossiel energiegebruik. De Commissie stelt voor de labelletter te baseren op het primair energiegebruik. Dit heeft tot gevolg dat het aandeel hernieuwbare energie van het gebouw niet langer wordt afgetrokken van het primair energiegebruik en het positieve effect van bijvoorbeeld zonnepanelen niet wordt teruggezien in de labelletter. Daarnaast wil de Commissie in iedere lidstaat label G gelijkstellen aan de 15% slechtst presterende gebouwen in de nationale gebouwvoorraad en vervolgens label G uitfaseren.
Het kabinet gaat vragen stellen aan de Commissie over het belang van het waarderen van hernieuwbare energie op het energielabel, en de nut en noodzaak van harmonisatie van labelklassen op basis van verschillende uitgangssituaties in lidstaten. Voorstel van het kabinet is om de labelletter te blijven koppelen aan het primair fossiel energiegebruik en de huidige klassenindeling te behouden. Voor het uitfaseren van labels kan vervolgens gekeken worden naar grenzen in kWh/m2.jr die corresponderen met de Europese ambitie.
De komende jaren zijn er geen negatieve consequenties als gevolg van het EPBD-voorstel te verwachten voor de nieuwbouwplannen. De energieprestatie gerelateerde nieuwbouw-eisen zullen conform het voorstel pas vanaf 2027 van kracht zijn voor overheidsgebouwen, en vanaf 2030 voor de overige utiliteitsgebouwen en woningbouw.
De cijfers van 1 januari 2022 zijn nog niet beschikbaar. De cijfers van 1 juli 2021 maken inzichtelijk dat van de gelabelde woningen in Nederland slechts 4% een G label heeft. Het aandeel koop- en huurwoningen is daarin nagenoeg gelijk. Wel valt op dat in de categorie huurwoningen het aandeel particuliere huur ruim tweemaal zo groot is als het aandeel sociale huur. De Commissie stelt dat label G gelijk gesteld moet worden aan het 15% slechtst presterende deel van de gebouwvoorraad. Hiervoor is het gelabelde deel van de woningen niet per definitie representatief. Wel is te verwachten dat met dit Commissievoorstel meer woningen energielabel G zullen krijgen. Dit zou betekenen dat een grotere groep woningen verduurzaamd moet worden om label G uit te faseren.
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99