Anders dan de adviseur heeft gesteld is in de gespreksnotities niet opgenomen dat de consument en haar echtgenoot geen overlijdensrisicoverzekering wensten. Ook is niet opgenomen welke overlijdensrisicodekking zij wel wensten. De gespreksnotities van de adviseur zijn op dat punt dus onvolledig.
Naar het oordeel van de commissie heeft de consument echter onvoldoende gemotiveerd gesteld dat zij de wens had om een nieuwe overlijdensrisicoverzekering van € 125.000,- af te sluiten, met als doel om een totale overlijdensrisicodekking van € 150.000,- te hebben. De consument heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om die stelling te onderbouwen. Het is ook niet aannemelijk dat de consument en haar echtgenoot toen de wens hadden om een dergelijke financiële verplichting aan te gaan.
Daarvoor is relevant dat de consument en haar echtgenoot ten tijde van het oversluiten van de hypotheek in financiële nood zaten en zij zo snel mogelijk de maandelijkse financiële lasten wilden verlichten. Bij die wens past een nieuwe overlijdensrisicoverzekering niet. Bovendien hadden de consument en de echtgenoot kort daarvoor via de adviseur bij [verzekeraar 2] een overlijdensrisicodekking aangevraagd met een verzekerd bedrag van slechts € 71.300,-. Ook dat is een indicatie dat de consument en de echtgenoot toen geen wens hadden om een totale overlijdensrisicodekking van € 150.000,- te verkrijgen.
De gespreksnotities van de adviseur vermelden niet dat hij de consument en haar echtgenoot in 2013 of 2016 uitdrukkelijk heeft gewezen op de risico’s van de minimale overlijdensrisicodekking. Naar het oordeel van de commissie kan echter in het midden worden gelaten of de adviseur de consument voor die risico’s heeft gewaarschuwd, omdat niet is gebleken dat sprake is van causaal verband tussen die vermeende zorgplichtschending en de door de consument gestelde schade. Tegen de achtergrond van de omstandigheden die speelden ten tijde van het oversluiten van de hypotheek in 2013 is niet aannemelijk dat de consument en haar echtgenoot er op dat moment voor zouden hebben gekozen om een aanvullende overlijdensrisicoverzekering af te sluiten. Een nieuwe overlijdensrisicoverzekering zou de maandlasten van de consument en de echtgenoot hebben verhoogd en dat staat haaks op hun wens van lastenverlichting.
Naar het oordeel van de commissie heeft de consument voorts onvoldoende gemotiveerd gesteld dat zij en haar echtgenoot in 2016 wel voor een aanvullende overlijdensrisicoverzekering zouden hebben gekozen. De commissie wijst de vordering van consument af.
Lees hier de volledige uitspraak.
Bron: Kifid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99