Een ex-werknemer ontvangt na een juridisch geschil een schadeloosstelling in de vorm van een eenmalige uitkering omdat de werkgever te weinig pensioen toekende aan de ex-werknemer. De ex-werknemer is al enkele jaren pensioengerechtigd, de schadeloosstelling ziet zowel op het verleden als op de toekomst. Door de schadeloosstelling komt een deel van het inkomen van de ex-werknemer in een hogere belastingschijf/tariefschijf terecht dan het geval was geweest als het inkomen niet in één jaar maar in meerdere jaren was genoten (hierna: progressienadeel). De grootte van het progressienadeel hangt af van de hoogte van het reguliere (pensioen)inkomen en de hoogte van de schadeloosstelling. In bepaalde gevallen kan de thans nog geldende middelingsregeling het progressienadeel deels wegnemen. [Middelingsregeling wordt afgeschaft. Zie gekoppelde artikelen.]
De schadeloosstelling vloeit voort uit de vroegere dienstbetrekking en valt daarom onder het loonbegrip. De wetgever heeft in de Wet IB 2001 in artikel 3.146 bepaald wanneer loon fiscaal wordt genoten en belast. Dit is op het moment dat het loon (i) is ontvangen, (ii) is verrekend, (iii) ter beschikking is gesteld, (iv) rentedragend is geworden of (v) vorderbaar en inbaar is geworden.
Onder de Wet IB 1964 is er hardheidsclausulebeleid ontwikkeld op de voorloper van artikel 3.146 Wet IB 2001 in de vorm van de zogenoemde uitsmeerregeling. Deze regeling hield kort gezegd in dat bepaalde nabetaalde bedragen konden worden uitgesmeerd over de jaren waarop zij betrekking hebben om daarmee het progressienadeel te verkleinen. Bij de overgang naar de Wet IB 2001 heeft het kabinet de uitsmeerregeling niet langer voortgezet.
Het ligt op de weg van partijen om bij het berekenen van de hoogte van de schadeloosstelling ook rekening te houden met een belastingnadeel (zowel het progressienadeel in het jaar van uitbetaling als de jaarlijks berekende box 3-heffing) dat de ontvangende partij ondervindt.
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99