Het Kabinet streeft ernaar dat Nederland concurrerend en innovatief blijft. Hiervoor is het cruciaal om een florerend startup en scale-up ecosysteem te hebben. Er is echter een aantal redenen aan te wijzen waardoor Nederland achterblijft voor wat betreft de doorgroei van startups naar scale-ups. Eén van de knelpunten in dit verband is dat het voor Nederlandse startups moeilijk is om het schaarse technische talent aan zich te binden.
Startups en scale-ups hebben behoefte aan technisch, digitaal vaardig en ondernemend personeel. Startups en scale-ups beschikken echter veelal niet over voldoende financiële middelen om dergelijk personeel een concurrerend salaris te bieden. Om ondernemend, technisch en ICT-personeel aan te trekken gebruiken startups en scale-ups daarom vaak aandelen en aandelenopties als beloningsinstrument voor werknemers.
Startups en scale-ups lopen echter tegen een knellend probleem aan dat werknemers op het huidige heffingsmoment van uitoefening van een aandelenoptierecht niet altijd over (voldoende) liquide middelen beschikken om de verschuldigde belasting te voldoen. Daarmee verliest het instrument van aandelenoptierechten als loon zijn aantrekkelijkheid in een sector waarin zowel het (potentiële) personeel als de (potentiële) (buitenlandse) investeerders in veel gevallen belang hechten aan het beschikken over een adequate aandelenoptieregeling in de onderneming waarin men wil werken of waarin men wil investeren.
In de huidige tegemoetkoming is sprake van belastingheffing bij de werknemer op een moment dat de aandelen mogelijk nog niet verhandelbaar zijn en kan de werknemer een liquiditeitsprobleem hebben dat niet geheel wordt opgelost met een lagere grondslag. Bovendien is de bestaande regeling alleen op een beperkte groep startups van toepassing terwijl ook andere startups en scale-ups gebruik willen maken van aandelenoptierechten als loon en daarin “belemmerd” worden door het eerdergenoemde liquiditeitsprobleem bij uitoefenen.
Met het uitgewerkte wetsvoorstel wordt beoogd dit probleem op te lossen door, in de hoofdregel, voor het heffingsmoment aan te sluiten bij het moment waarop het mogelijk zal zijn om aandelen te vervreemden. Daarmee ontstaat de mogelijkheid om de belastingheffing te voldoen door (een deel van de) aandelen te vervreemden. Bovendien wordt met deze generieke maatregel dit probleem voor werknemers van alle bedrijven weggenomen.
Bij de verkenning van mogelijke aanpassingen, zoals dat is toegezegd aan uw Kamer, heb ik vervolgens gewogen wat de gevolgen zijn van de mogelijke aanpassing voor de complexiteit, de uitvoeringslasten en de doeltreffend- en doelmatigheid van de maatregel. Daarbij heb ik mij primair gericht op twee mogelijke aanpassingen, namelijk de mogelijkheid om 1) de toepassing van het wetsvoorstel te beperken tot bedrijven met een bepaalde omvang en 2) directeur-grootaandeelhouders (DGA’s) en bestuurders uit te sluiten van de mogelijkheid om het heffingsmoment te verleggen.
Ik heb hierbij overwogen om de werking te bepreken tot ondernemingen met maximaal 100 of 250 werknemers.
Een afbakening op basis van het aantal werknemers zal de uitvoering verder compliceren. De Belastingdienst moet dan weten hoeveel werknemers het bedrijf waar de werknemer die de optie verkrijgt in dienst is op enig moment heeft. Het aantal werknemers kan uiteraard in de loop van een jaar fluctueren. Een dergelijke afbakening leidt voorts tot afbakeningsproblematiek en mogelijk calculerend gedrag. Groeiende bedrijven worden dan namelijk op enig moment geconfronteerd met een veranderende en minder interessante fiscale behandeling van een belangrijk beloningsinstrument. Dit maakt aandelenoptierechten voor nieuwe of bestaande werknemers minder aantrekkelijk en de afbakening zou er bovendien toe kunnen leiden dat bedrijven (kunstmatig) klein blijven om werknemers onder betere voorwaarden aandelenoptierechten te verstrekken of aparte entiteiten oprichten met geen of weinig werknemers met als enkel doel om aandelenoptierechten uit te geven.
Een andere aanpassing die ik in overweging heb genomen betreft de uitsluiting van DGA’s en bestuurders van de mogelijkheid om het heffingsmoment te verleggen. Met deze uitwerking zou tegemoetgekomen worden aan de zorg vanuit een deel van de Tweede Kamer dat iedere werknemer – ook een werknemer die al een hoog inkomen geniet - gebruik kan maken van de maatregel en daaruit een (onevenredig) fiscaal voordeel zou kunnen verkrijgen.
Om verschillende redenen heb ik besloten deze beperking niet op te nemen in het wetsvoorstel. Ten eerste is het lastig zo’n beperking aan te brengen zonder ook de C-level werknemers (CFO, CTO etc.) uit te sluiten. Voor deze werknemers vragen startups en scale-ups juist (ook) aandacht, omdat zij lastig te werven zijn, maar wel waardevol zijn voor de ontwikkeling van start-ups. Een dergelijke beperking zou de praktijk daarom hinderen en het wetsvoorstel minder effectief maken.
Ten tweede is het geen effectieve manier om het wetsvoorstel te beperken tot startups en scale-ups. Het sluit slechts bepaalde werknemers uit. Sterker nog, de beperking zal – voor zover de zorgen van uw Kamer zien op (grote) beursgenoteerde bedrijven - over het algemeen geen effect hebben op door dergelijke bedrijven aangeboden aandelenoptieregelingen, omdat de daaruit verkregen aandelen in het algemeen al direct verhandelbaar zijn. De mogelijke beperking raakt daarom juist kleinere bedrijven.
Gelet op het belang voor de werknemers van de startup en scale-up sector van een aanpassing van de huidige belastingregels met betrekking tot het heffingsmoment, de hierboven genoemde overwogen aanpassingen en de daaraan klevende bezwaren, heb ik besloten het wetsvoorstel niet inhoudelijk te wijzigen.
Binnen enkele weken zal ik een nota van wijziging naar uw Kamer sturen met een door het aanhouden van het wetsvoorstel noodzakelijke wijziging van de inwerkingtredingsdatum van het wetsvoorstel naar 1 januari 2023.
Bron: Rijksoverheid
28/6/2022 is de Tweede Kamer akkoord gegaan met dit wetsvoorstel.
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99