Verder loopt er een separaat wetsvoorstel mee. Dit is een wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met een aanpassing van de aanvullende regeling voor antiek, kunst- en verzamelvoorwerpen (Wet aanpassing aanvullende margeregeling). De maatregelen zijn nog niet voorzien van een uitvoeringstoets, waarmee de maatregelen op uitvoerbaarheid worden getoetst.
Klik hier voor de internetconsultatie.
Het is sinds 1 januari 2015 onder voorwaarden toegestaan om bij langdurige arbeidsongeschiktheid een lijfrente geheel of gedeeltelijk af te kopen zonder dat hierbij 20% revisierente in rekening wordt gebracht. Voor het gezamenlijke bedrag aan dergelijke afkopen in een jaar geldt een wettelijke afkoopgrens. Bij overschrijding van deze afkoopgrens is over de waarde in het economische verkeer van de volledige afkoop 20% revisierente verschuldigd. Het betreft een “alles of niets”-benadering.
In de praktijk bleek deze “alles of niets”-benadering te hard uit te pakken. Ook bij kleine overschrijdingen van de afkoopgrens diende over de waarde in het economische verkeer van de volledige afkoop revisierente te worden betaald. Belastingplichtigen hebben verzoeken gedaan om toepassing van de hardheidsclausule. Naar aanleiding daarvan is vooruitlopend op wetgeving bij beleidsbesluit bepaald dat alleen revisierente is verschuldigd over het bedrag waarmee de afkoopgrens wordt overschreden.6 Daarmee is een “voor zover”-benadering gerealiseerd. Dit betekent dat alleen revisierente is verschuldigd over het deel van de waarde in het economische verkeer van de afkoop dat uitgaat boven de afkoopgrens. Met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld deze maatregel te codificeren.
Naar aanleiding van die uitspraak is vanuit de Eerste en Tweede Kamer en de goededoelensector aandacht gevraagd voor de gevolgen van het onzekerheidsvereiste voor periodieke giften. In de praktijk kunnen zich problemen voordoen als de periodieke gift van twee of meer levens afhankelijk wordt gesteld en men zich onvoldoende heeft gerealiseerd dat daarbij sprake moet zijn van een overlijdenskans groter dan 1%. In die situatie is niet aan het onzekerheidsvereiste voldaan waardoor de gift niet als periodieke gift kwalificeert maar als een andere gift waarvoor de drempel en het plafond gelden. Dit kan forse consequenties hebben voor de hoogte van de giftenaftrek.
Daarom wordt, zoals in de brief van 29 juni 2021 is aangekondigd, voorgesteld het onzekerheidsvereiste voor periodieke giften anders vorm te geven door periodieke giften los te koppelen van de periodieke uitkeringen.
...
Daarom wordt voorgesteld periodieke giften te definiëren als aan ANBI’s of verenigingen gedane giften in de vorm van vaste en gelijkmatige termijnen gedurende vijf of meer jaren die eindigen uiterlijk bij overlijden. Dat betekent dat niet langer hoeft te worden getoetst of wordt voldaan aan het onzekerheidsvereiste zoals dat voor periodieke uitkeringen geldt, dus of de overlijdenskans groter dan 1% is. Met de thans voorgestelde zelfstandige definitie wordt de relatie verbroken met de periodieke uitkering zoals deze bij lijfrenten geldt. Het regime van de periodieke uitkering met belang voor onder meer lijfrenten wordt in stand gehouden.
...
Deze wijziging betreft een verduidelijking in de indexatiebepaling voor de woningwaardegrens van de startersvrijstelling in de overdrachtsbelasting. Hiermee zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd. De wijziging regelt dat de geïndexeerde woningwaardegrens niet één jaar voordat deze van toepassing is in de wet wordt opgenomen, maar dat deze alleen één jaar van tevoren bekend wordt gemaakt. De bekendmaking van de grens voor het daarop volgend kalenderjaar vindt jaarlijks plaats in de zogenoemde bijstellingsregeling, waarbij een inwerkingtreding van 1 januari van het daaropvolgende jaar wordt gehanteerd. Dit zorgt ervoor dat in de wettekst de geldende grens van het betreffende kalenderjaar zichtbaar is, terwijl de nieuwe grens voor het daaropvolgende kalenderjaar al wel bekend is.
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99