Omdat koper het appartement vrij van huur wilde kopen, heeft [naam 1] de huurder van verkoper benaderd om te onderzoeken of deze bereid was de woning te verlaten. Vervolgens heeft de huurder na contact met [naam 3], makelaar en bekende van partijen, op 19 juli 2021 een beëindigingsovereenkomst ondertekend (hierna: de beëindigingsovereenkomst). In de beëindigingsovereenkomst is opgenomen dat de huurovereenkomst met verkoper per 1 oktober 2021 wordt beëindigd en de huurder tot die tijd geen huur zal betalen.
De huurder is na het sluiten van de koopovereenkomst teruggekomen op de beëindigingsovereenkomst en heeft het appartement niet verlaten. Verkoper heeft het appartementsrecht niet op 4 oktober 2021 aan koper geleverd.
In een ingebrekestelling dient de schuldeiser de schuldenaar aan te manen om binnen een bepaalde termijn een gespecificeerde verbintenis alsnog na te komen. Anders dan verkoper meent, blijkt uit de ingebrekestelling voldoende dat zij wordt aangemaand tot nakoming van een gespecificeerde verbintenis. In de brief wordt de verplichting van verkoper om het appartement leeg en ontruimd te leveren immers expliciet benoemd.
In het licht van het voorgaande zijn geen omstandigheden komen vast te staan op grond waarvan het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat koper de koopovereenkomst heeft ontbonden vanwege een tekortkoming van verkoper. Aangezien vast staat dat verkoper gehouden was op 4 oktober 2021 het appartementsrecht aan koper te leveren en dat zij die verplichting niet is nagekomen, brengt dit met zich dat de contractuele boete is verbeurd. Dit deel van de vordering wordt daarom toegewezen.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99