MijnFintool

Nieuws

Wetgeving box 3 vermogensrendementsheffing

Staatssecretaris Van Rij stuurde de nota's naar aanleiding van het verslag en nota's van wijziging aan de Tweede Kamer.

Overbruggingswet box 3

Met deze nota van wijziging wordt geregeld dat het bij enkele specifieke regelingen in aanmerking te nemen bedrag niet negatief kan worden. Voorts worden enkele redactionele verbeteringen aangebracht.

Peildatumarbitrage

De zin in de memorie van toelichting “De arbitrageperiode van drie maanden betekent dat transacties gedaan voor 1 oktober en na 31 maart sowieso niet als arbitragehandeling worden aangemerkt.” dient ter verduidelijking van de periode van drie maanden. Bij een transactie op bijvoorbeeld 30 september kan geen sprake zijn van een start van een driemaandenperiode die aan de eisen voor een arbitrage zou kunnen voldoen. Deze drie maanden zijn op 31 december afgelopen, waardoor het om een tijdvak gaat waarin geen peildatum (1 januari) ligt. Vindt in dit voorbeeld de tweede handeling op 2 januari plaats, valt dat buiten de driemaandentermijn en leidt de tweede handeling er dus niet toe dat voor die belastingplichtige sprake is van arbitragehandelingen, nog los van de beweegreden om de tweede transactie aan te gaan. Hetzelfde geldt voor een driemaandentermijn die na 31 maart eindigt. Daarvoor moet een belastingplichtige na 1 januari een bepaalde handeling hebben uitgevoerd, maar omdat in die periode geen peildatum ligt voldoet ook dit tijdsverloop niet aan de voorwaarden voor arbitrage. Kortom: anders dan door enkele leden verondersteld gaat het niet om een arbitrageperiode van zes maanden, maar om een periode van drie maanden.

Controle door Belastingdienst

De genoemde leden lijken ervan uit te gaan dat arbitrage op grote schaal plaats zal vinden. Dat is niet het uitgangspunt van het kabinet. Met het opnemen van een anti-arbitragebepaling wordt het signaal afgegeven dat peildatumarbitrage maatschappelijk niet wenselijk is. Daarbij komt dat peildatumarbitrage zich alleen zal voordoen bij belastingplichtigen die beschikken over vermogensbestanddelen in box 3 die vallen in de categorie overige bezittingen en relatief eenvoudig liquide te maken zijn. In de aangifte inkomstenbelasting wordt uitvraag gedaan of sprake is geweest van peildatumarbitrage en of in dat geval sprake is geweest van zakelijke overwegingen. Daarmee heeft de Belastingdienst de groep belastingplichtigen in beeld bij wie mogelijk peildatumarbitrage aan de orde is.

De Belastingdienst zal vervolgens risicogericht toetsen of sprake is van arbitragehandelingen waaraan geen zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. De Belastingdienst kan daartoe een gerichte uitvraag doen bij belastingplichtigen.

Als de belastingplichtige bij die uitvraag niet aan zijn bewijslast kan voldoen, kan dit tot een correctie leiden. Daarnaast zal de Belastingdienst in het kader van de toezichtstrategie door middel van steekproeven ook aangiftes controleren waarin het invulveld over peildatumarbitrage niet is ingevuld. Aangezien voor belastingplichtigen niet is in te schatten of zij in een steekproef worden betrokken, heeft de anti-arbitragebepaling op die manier een afschrikkende werking. Financiële instellingen zullen naar het kabinet verwacht dan ook geen producten ontwikkelen die tot arbitrage zouden kunnen leiden.

 

Wetgeving box 3 rechtsherstel

Partnerverdeling

Kamerleden vragen of het klopt dat wanneer slechts één partner bezwaar heeft ingediend ook slechts één partner rechtsherstel krijgt. Voorts vragen zij waarom hiervoor is gekozen en vragen zij of de regering begrijpt dat partners die gezamenlijk aangifte moeten doen er redelijkerwijs vanuit konden gaan dat zij ook ‘gezamenlijk’ bezwaar hadden ingediend.

Het klopt dat indien slechts één van beide partners bezwaar heeft ingediend alleen die partner rechtsherstel krijgt. Het fiscale partnerschap houdt in dat beide partners nog wel individueel belastingplichtig zijn en individueel aangifte doen, maar dat zij slechts bepaalde posten (zoals het vermogen) naar eigen inzicht mogen toerekenen aan één van beiden. Vervolgens wordt aan beiden individueel een aanslag opgelegd. Indien de fiscale partners het niet eens zijn met deze aanslagen moet daarom per aanslag bezwaar worden gemaakt. Bezwaar maken tegen de aanslag van de ene partner betekent niet dat ook automatisch bezwaar is gemaakt tegen de aanslag van de andere partner. Dit vloeit voort uit de systematiek van de fiscale wetgeving.

 

Bron: Rijksoverheid

Reacties

Er zijn (nog) geen reacties op dit artikel

Reageren? Graag eerst inloggen.

Permanent Actueel met Fintool?

Als professioneel financieel adviseur moet en wilt u bijblijven en dat het liefst in zo weinig mogelijk (kostbare) tijd. Dat kan nu met Fintool.nl! Meld u nu aan als abonnee en krijg direct toegang tot de Kennisbank en Helpdesk.
Lees verder

Fintool bv © 2003/2025. Alle rechten voorbehouden.
Lees graag de leveringsvoorwaarden en het privacy reglement.

1
1