In deze vijfde nota van wijziging zijn de hierna opgesomde maatregelen opgenomen:
Onder de werkkostenregeling zijn boeten, dwangsommen en geldsommen die worden opgelegd aan of verhaald op een werknemer en die rechtstreeks verband houden met het uitvoeren van de dienstbetrekking te beschouwen als beroepskosten en daarom niet als negatief loon. Niettemin wordt in de praktijk soms het standpunt ingenomen dat dergelijke boeten als negatief loon aftrekbaar zijn. Dit is ongewenst en mede met het oog op de kenbaarheid van het recht wordt de wet met dit voorstel verduidelijkt.
Het is – mede gelet op de uitsluiting van kostenaftrek bij de Belastingherziening 2001 – uiteraard niet de bedoeling dat voor de voor rekening van de werknemer komende boeten, dwangsommen en geldsommen de facto een dergelijke aftrek mogelijk zou zijn via de route van negatief loon. Ook in de winstsfeer is een dergelijke aftrek niet mogelijk als gevolg van de wettelijke aftrekuitsluitingen van boeten, dwangsommen en geldsommen.
Hoewel in de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) wel een specifieke uitsluiting is opgenomen ter zake van het onbelast kunnen vergoeden van boeten, dwangsommen en geldsommen, is dit niet expliciet geregeld voor het eventueel als negatief loon kunnen kwalificeren van het voor rekening van de werknemer komen van boeten, dwangsommen en geldsommen.
Om hierover geen onduidelijkheid te laten bestaan, wordt met de voorgestelde maatregel expliciet geregeld dat boeten, dwangsommen en geldsommen die worden opgelegd aan of verhaald op een werknemer en voor rekening komen van deze werknemer niet op het loon in mindering kunnen worden gebracht.
Hoewel een tegenbewijsregeling inderdaad het nadeel weg zou kunnen nemen dat wordt geheven over rendement dat hoger is dan het werkelijke rendement, zou dit te veel vergen van de uitvoering door de Belastingdienst en het doenvermogen van burgers. Ook beschikt de Belastingdienst niet over voldoende contra-informatie om een en ander te kunnen controleren. De introductie van een tegenbewijsregeling zou in feite neerkomen op de introductie van een stelsel van box 3-heffing op basis van werkelijk rendement. Het werkelijk rendement moet worden gedefinieerd. Dat betekent dat daar bijvoorbeeld ook de keuze moet worden gemaakt of een belastingplichtige voor werkelijk rendement uit mag gaan van de vermogensaanwas die hij heeft gehaald of de vermogenswinst, welke kosten erbij horen en welke daarvan in aftrek moeten worden toegestaan.
Verder zou moeten worden nagedacht over bijvoorbeeld zakelijkheidscriteria en daarmee samenhangende correcties. Kortom: alle aandachtspunten die in het kader van het opstellen van het toekomstige stelsel voor een heffing op basis van werkelijk rendement worden onderzocht en uitgewerkt zouden voor een tegenbewijsregeling ook moeten worden uitgewerkt én in wetgeving moeten worden omgezet.
Het is de vraag waarom dan niet wordt overgaan op een daadwerkelijk stelsel van werkelijk rendement. Daarnaast is het gebruik van forfaits toegestaan, mits de werkelijkheid hiermee zoveel mogelijk wordt benaderd. Daarbij is het onvermijdelijk dat in een individueel geval het werkelijke rendement hoger of lager kan zijn dan het forfait.
Kortom: op basis van deze overwegingen blijft het kabinet bij zijn eerder ingenomen standpunt dat er, in lijn met het advies van de Landsadvocaat van 11 maart 2022, geen tegenbewijsregeling wordt opgenomen.
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99