Niet in geschil is dat belanghebbende als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige belastbare inkomsten uit een eigen woning in België in Nederland in aanmerking kan nemen. Verder zijn partijen het erover eens dat belanghebbende in 2016 in elk geval 50 procent van de woning in eigendom heeft en de woning in zoverre als eigen woning kwalificeert.
Partijen houdt echter verdeeld of belanghebbende ook van de overige 50 procent de economische eigendom van de woning had. Belanghebbende stelt namelijk dat met het echtscheidingsconvenant de volledige economische eigendom van de woning aan haar is toebedeeld en zij vanaf dat moment is gerechtigd tot de gehele waardeveranderingen van de woning. De eigendom komt haar onder ontbindende voorwaarde toe. De inspecteur is daarentegen van mening dat sprake is van een opschortende voorwaarde en de waardeveranderingen tot vervulling van die voorwaarde aan belanghebbende en de ex-partner beiden voor de helft toekwamen.
De rechtbank overweegt dat bij een ontbindende voorwaarde de verbintenis direct tot stand komt totdat een bepaalde onzekere gebeurtenis zich voordoet (de eigendom gaat over op belanghebbende, maar deze vervalt als de bank de ex-partner niet ontslaat uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid), terwijl bij een opschortende voorwaarde de verbintenis pas tot stand komt als die onzekere gebeurtenis zich heeft voorgedaan (de eigendom gaat over op belanghebbende op het moment dat de bank de ex-partner ontslaat uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid). Het staat partijen bij het sluiten van een overeenkomst vrij om bij een beding te kiezen voor een ontbindende of een opschortende voorwaarde. De vraag of sprake is van een opschortende dan wel van een ontbindende voorwaarde moet door middel van uitleg van het beding worden vastgesteld.
De rechtbank constateert dat in het echtscheidingsconvenant expliciet is opgenomen dat toedeling van de woning aan belanghebbende geschiedt onder opschortende voorwaarde. Op die wijze is de voorwaarde ook geformuleerd. Er staat – kort gezegd – dat de toedeling aan belanghebbende plaatsvindt als de ex-partner wordt ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid. De rechtbank gaat er daarom van uit dat belanghebbende en de ex-partner hebben beoogd de economische eigendom pas te laten overgaan op het moment dat de ex-partner is ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid.
Er zijn geen aanknopingspunten in het dossier dat, ondanks de duidelijke tekst, zij bij het sluiten van het convenant een andere bedoeling hadden. De enkele omstandigheid dat belanghebbende na het sluiten van het convenant telkens de volledige hypotheekrente heeft betaald, is daarvoor onvoldoende. Ook slaagt het beroep van belanghebbende op de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 17 december 20194 niet. De feitelijke situatie in die zaak verschilt van de situatie van belanghebbende. De ex-echtgenoten hadden in die zaak immers gekozen voor een andere formulering en niet vastgelegd of de voorwaarde opschortend of ontbindend was. De door het gerechtshof in die zaak gegeven uitleg, hoeft dan geenszins van toepassing te zijn op de situatie van belanghebbende, gezien de vrijheid die partijen hebben om bij eenzelfde soort beding te kiezen voor een opschortende of ontbindende voorwaarde.
Aangezien sprake is van een opschortende voorwaarde en vaststaat dat de ex-partner pas in 2018 door de bank is ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid, heeft toedeling van de volledige economische eigendom van de woning aan belanghebbende in 2016 nog niet plaatsgevonden. Belanghebbende heeft dat jaar voor 50 procent de eigendom van de woning, waardoor de woning slechts voor 50 procent kwalificeert als eigen woning in de zin van de Wet IB 2001.
Partijen zijn het er in dat geval over eens dat de (negatieve) inkomsten uit eigen woning door de inspecteur op het juiste bedrag zijn vastgesteld.
Bron: Rechspraak.nl
* Er wordt dan ook slechts 50% aftrek toegekend.
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99